ECLI:NL:PHR:2005:AE6418
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aftrekbaarheid van kosten bij houdstermaatschappij en toepassing deelnemingsvrijstelling
De zaak draait om de vraag of kosten die een zuivere houdstermaatschappij maakte in verband met mislukte fusiebesprekingen, beursnotering, investor relations en financiering van buitenlandse deelnemingen aftrekbaar zijn van de winst. De belanghebbende, een houdstermaatschappij behorend tot een Italiaans concern, voerde aan dat de aftrekbeperking van artikel 13, lid 1, Wet Vpb. in strijd is met de EG-vrijheid van vestiging en dat een deel van de interestkosten aftrekbaar moet zijn.
Het Hof verwierp het Europeesrechtelijke verweer en oordeelde dat sommige kosten, zoals die voor beursnotering en investor relations, onvoldoende verband houden met de deelnemingen en daarom onder de aftrekbeperking vallen. De kosten van de mislukte fusie werden als eigen ondernemingskosten aangemerkt en waren aftrekbaar. De belanghebbende stelde cassatie in tegen het oordeel over de beursnoteringskosten en de investor relations.
De conclusie van de Procureur-Generaal stelt dat de zaak aangehouden moet worden tot het arrest van het HvJ EG in de zaak Bosal Holding BV, waarin prejudiciële vragen over de aftrekbaarheid van financieringskosten van buitenlandse deelnemingen worden beantwoord. Tevens wordt aanbevolen de aftrekbaarheid van beursnoterings- en investor relationskosten toe te staan, omdat het Hof niet de juiste maatstaf hanteerde. De conclusie bevat een uitgebreide analyse van de juridische criteria voor het verband tussen kosten en deelnemingen in het kader van de deelnemingsvrijstelling.
Uitkomst: De zaak wordt aangehouden tot het arrest van het HvJ EG in zaak C-180/01 en partijen krijgen gelegenheid te reageren; aftrekbaarheid van beursnoterings- en investor relationskosten wordt aanbevolen toe te staan.