ECLI:NL:PHR:2004:AR5708
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van schorsing voorlopige hechtenis en termijnoverschrijding in hoger beroep
In deze zaak stond centraal de vraag of de schorsing van het onderzoek in hoger beroep, die langer dan drie maanden duurde, gevolgen had voor de rechtmatigheid van de voorlopige hechtenis van verdachte. Het hof had de schorsing voor onbepaalde tijd uitgesproken, met de restrictie dat deze niet langer dan drie maanden mocht duren. De schorsing werd echter met drie dagen overschreden.
De advocaat-generaal stelde dat artikel 282 Sv Pro, dat een maximale schorsingstermijn van drie maanden voorschrijft, bij vergissing niet van toepassing is verklaard op hoger beroep in artikel 415 Sv Pro. Volgens hem behoort deze regeling ook in hoger beroep te gelden om de voortgang van zaken met voorlopige hechtenis te bewaken. Het hof oordeelde echter dat de overschrijding geen invloed had op de rechtmatigheid van de voorlopige hechtenis en wees de vordering tot gevangenneming af.
Verdachte voerde aan dat hij zonder wettelijke titel in voorlopige hechtenis zat en dat dit tot strafvermindering moest leiden. De Hoge Raad verwierp dit middel, stellende dat het hof voldoende had gemotiveerd waarom de termijnoverschrijding niet tot strafvermindering leidde. Verder concludeerde de Hoge Raad dat het ontbreken van een deugdelijke titel niet in de weg staat aan aftrek van het voorarrest bij de tenuitvoerlegging van de straf, zodat verdachte niet benadeeld is.
De Hoge Raad stelde dat het niet van toepassing verklaren van artikel 282 Sv Pro op hoger beroep een evidente vergissing van de wetgever is, en dat de regeling ook in hoger beroep van toepassing behoort te zijn. Dit leidt echter niet tot een ander oordeel in deze zaak. Het middel faalt en het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde dat de termijnoverschrijding van de schorsing geen gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van de voorlopige hechtenis of de strafoplegging.