ECLI:NL:PHR:2004:AR5708

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01275/04
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 282 SvArt. 415 SvArt. 66 SvArt. 66a SvArt. 359a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van schorsing voorlopige hechtenis en termijnoverschrijding in hoger beroep

In deze zaak stond centraal de vraag of de schorsing van het onderzoek in hoger beroep, die langer dan drie maanden duurde, gevolgen had voor de rechtmatigheid van de voorlopige hechtenis van verdachte. Het hof had de schorsing voor onbepaalde tijd uitgesproken, met de restrictie dat deze niet langer dan drie maanden mocht duren. De schorsing werd echter met drie dagen overschreden.

De advocaat-generaal stelde dat artikel 282 Sv Pro, dat een maximale schorsingstermijn van drie maanden voorschrijft, bij vergissing niet van toepassing is verklaard op hoger beroep in artikel 415 Sv Pro. Volgens hem behoort deze regeling ook in hoger beroep te gelden om de voortgang van zaken met voorlopige hechtenis te bewaken. Het hof oordeelde echter dat de overschrijding geen invloed had op de rechtmatigheid van de voorlopige hechtenis en wees de vordering tot gevangenneming af.

Verdachte voerde aan dat hij zonder wettelijke titel in voorlopige hechtenis zat en dat dit tot strafvermindering moest leiden. De Hoge Raad verwierp dit middel, stellende dat het hof voldoende had gemotiveerd waarom de termijnoverschrijding niet tot strafvermindering leidde. Verder concludeerde de Hoge Raad dat het ontbreken van een deugdelijke titel niet in de weg staat aan aftrek van het voorarrest bij de tenuitvoerlegging van de straf, zodat verdachte niet benadeeld is.

De Hoge Raad stelde dat het niet van toepassing verklaren van artikel 282 Sv Pro op hoger beroep een evidente vergissing van de wetgever is, en dat de regeling ook in hoger beroep van toepassing behoort te zijn. Dit leidt echter niet tot een ander oordeel in deze zaak. Het middel faalt en het beroep wordt verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde dat de termijnoverschrijding van de schorsing geen gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van de voorlopige hechtenis of de strafoplegging.

Conclusie

Nr. 01275/04
Mr. Vellinga
Zitting: 9 november 2004
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft - behoudens de strafoplegging - bevestigd het vonnis van de rechtbank Maastricht van 3 juni 2003, waarbij verdachte is veroordeeld ter zake van "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod". Het Hof heeft verdachte veroordeeld tot zes jaren gevangenisstraf.
2. Namens verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel behelst de klacht dat het Hof de strafoplegging onvoldoende heeft gemotiveerd, nu het Hof heeft nagelaten te motiveren waarom het verzuim de zaak binnen drie maanden na de schorsing weer te hervatten niet tot strafvermindering kon leiden .
4. Ter zitting in hoger beroep van 21 januari 2004 kwam aan de orde gekomen dat het onderzoek anders dan het Hof had bevolen, niet binnen drie maanden maar na drie maanden en drie dagen was hervat. Het proces-verbaal van de zitting houdt dienaangaande het volgende in:
"De advocaat-generaal voert het woord als volgt.
Ik heb een vordering tot gevangenneming ingediend, gedateerd 20 januari 2004, voor het geval het hof van oordeel mocht zijn dat verdachte thans zonder titel in voorlopige hechtenis zit.
Ter terechtzitting van 20 oktober 2003 werd het onderzoek in de zaak voor onbepaalde tijd geschorst, echter voor niet langer dan drie maanden na 20 oktober 2003. Echter het bepaalde in artikel 282 van Pro het Wetboek van Strafvordering is niet van toepassing in hoger beroep indien de zaak voor onbepaalde tijd wordt geschorst, gelet op het bepaalde in artikel 415 van Pro genoemd wetboek. Er is derhalve geen rechtsregel geschonden die van invloed is op de voorlopige hechtenis van verdachte. Het openbaar ministerie heeft echter niet voldaan aan hetgeen het hof in zijn proces-verbaal van 20 oktober 2003 heeft bepaald, te weten dat de schorsing niet langer mag duren dan drie maanden.
Primair ben ik echter van oordeel dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk is in de vordering gevangenneming. Subsidiair persisteer ik bij mijn vordering gelet op het bepaalde in artikel 65, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
(...)
De raadsman voert het woord overeenkomstig de door hem op schrift gestelde pleitnotities, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast kan worden beschouwd. De pleitnotities zijn als bijlage aan dit proces-verbaal gehecht en maken daarvan deel uit.
De raadsman voert -zakelijk weergegeven- nog aan.
Ter terechtzitting van 20 oktober 2003 heeft het hof bepaald dat de schorsing voor onbepaalde tijd niet langer mocht duren dan drie maanden. Het openbaar ministerie had ervoor dienen te zorgen dat de zaak binnen 90 dagen weer op zitting stond. Die termijn is met drie dagen overschreden. Mijn cliënt zit derhalve thans zonder wettelijke titel in voorlopige hechtenis.
De advocaat-generaal repliceert als volgt.
Op 1 juni 2000 is de Aanpassingswet in werking getreden, waarbij onder meer werd bepaald dat bij schending van vormvoorschriften de voorlopige hechtenis toch van kracht blijft indien het zaken betreft waarop een gevangenisstraf van acht jaar of meer kan worden opgelegd, hetgeen in casu het geval is.
De raadsman dupliceert als volgt.
Het onderzoek ter terechtzitting vangt vandaag aan. De vordering van de advocaat-generaal is echter niet gebaseerd op artikel 66a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Het hof trekt zich hierop terug in raadkamer teneinde zich te beraden.
Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter het volgende mede.
Ingevolge het bepaalde in artikel 66, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is de voorlopige hechtenis van kracht indien het bevel tot gevangenneming is gegeven ter terechtzitting. Het hof heeft ter terechtzitting van 23 juli 2003 de gevangenneming van verdachte bevolen en derhalve blijft dit bevel tot kracht tot zestig dagen na de dag van de einduitspraak. Om de belangen van verdachte niet te zeer te schaden heeft het hof in het proces-verbaal van 20 oktober 2003 opgenomen dat een termijn van drie maanden niet wordt overschreden. De overschrijding thans van deze termijn met drie dagen heeft echter geen invloed op de rechtmatigheid van de voorlopige hechtenis.
Het hof verklaart het openbaar ministerie derhalve niet-ontvankelijk in zijn vordering."
5. Bij de strafoplegging heeft het Hof voorts het volgende overwogen:
"De omstandigheid dat de verdachte enige tijd zonder deugdelijke titel in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, noch de omstandigheid dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep na de schorsing op 15 december 2003 (lees: 20 oktober 2003; WHV) niet binnen 3 maanden doch enkele dagen later is hervat, geven het hof aanleiding tot vermindering van de straf om die reden. Voor wat betreft de eerste omstandigheid neemt het hof daarbij in aanmerking dat het ontbreken van een deugdelijke titel niet in de weg staat aan de aftrek van het ondergane voorarrest bij de tenuitvoerlegging van de op te leggen straf, zodat de verdachte door die omstandigheid niet is benadeeld."
6. Anders dan de steller van het middel lees ik in de in hoger beroep overgelegde pleitnota niet dat op het punt van de te lange schorsing om toepassing van art. 359a Sv(1) is verzocht. De steller van het middel wijst op nummer 35 van de pleitnota. Daarin wordt echter slechts toepassing van art. 359a Sv bepleit ten aanzien van de onrechtmatige detentie in de periode voorafgaand aan het onderzoek ter zitting in hoger beroep. Met betrekking tot de te lange schorsing wordt onder de nummers 37 tot en met 43 aangevoerd dat de vordering gevangenneming afgewezen dient te worden en dat verdachte onmiddellijk in vrijheid dient te worden gesteld. Dat verweer heeft het Hof verworpen, van oordeel zijnde dat van een onrechtmatige detentie geen sprake was.
7. Dat het Hof bij de strafoplegging geen rekening heeft gehouden met de bedoelde termijnoverschrijding acht ik - nog daargelaten dat de wet in een geval als het onderhavige niet voorziet in strafvermindering(2) - in het licht van hetgeen het Hof blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting heeft overwogen en gelet op het feit dat zulks niet uitdrukkelijk is verzocht, niet onbegrijpelijk. In het oordeel van het Hof ligt besloten dat hiervoor gelet op de geringe ernst daarvan geen compensatie behoeft te worden geboden. De strafoplegging is toereikend gemotiveerd.
8. Het middel faalt.
9. Ambtshalve vestig ik nog de aandacht op het volgende. Het Hof heeft de behandeling ter zitting van 20 oktober 2003 geschorst. In het proces-verbaal van die zitting is opgenomen dat het Hof om de klemmende reden dat er eerder geen zittingsruimte beschikbaar is om de zaak inhoudelijk te behandelen de schorsing van het onderzoek op langer dan één maand stelt, maar op niet langer dan drie maanden. De eerstvolgende zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2004, dus na het verstrijken van de termijn van drie maanden. De advocaat-generaal en ook de raadsman gaan met name in op de mogelijke consequenties die dat voor de voorlopige hechtenis zou (moeten) hebben. De advocaat-generaal merkt op dat art. 282 Sv Pro - bij voorlopig gehechten mag een schorsing niet langer dan drie maanden duren - in hoger beroep niet van toepassing is.
10. De artikelen 282 en 415 Sv luiden thans als volgt:
"282 Sv
1. Bevindt de verdachte zich in voorlopige hechtenis, dan zijn de volgende leden van dit artikel van toepassing.
2. Indien de rechtbank het onderzoek op de terechtzitting voor een bepaalde tijd schorst, stelt zij de termijn van de schorsing in de regel op niet meer dan een maand. Om klemmende redenen kan zij echter een langere termijn stellen, doch in geen geval langer dan drie maanden.
3. Schorst de rechtbank het onderzoek op de terechtzitting voor onbepaalde tijd, dan stelt zij met overeenkomstige toepassing van het tweede lid, een uiterste termijn, waarbinnen het onderzoek moet worden hervat.
4. Wanneer de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt krachtens een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding waarvan de geldigheidsduur reeds tweemaal is verlengd, kan de officier van justitie schorsing van het onderzoek op de terechtzitting vorderen, mits hij het voornemen daartoe aan de verdachte kenbaar heeft gemaakt bij de dagvaarding.
415 Sv
Behoudens de bepalingen in de volgende artikelen van deze Titel vervat, zijn de artikelen 268 tot en met 281, 283 tot en met 314, 315 tot en met 353 en 356 tot en met 366a op het rechtsgeding voor het gerechtshof van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in afwijking van het tweede lid van artikel 365a aanvulling ook plaats vindt indien het cassatieberoep meer dan drie maanden na de dag van de uitspraak is ingesteld."
11. Naar de letter van de wet is thans artikel 282 Sv Pro in hoger beroep niet van toepassing. Bij wet van 15 januari 1998, Stb 1998, 33 is het huidige artikel 282 in Pro het Wetboek van Strafvordering opgenomen. De memorie van toelichting meldt over dit artikel het volgende:
"Dit artikel is samengesteld uit het huidige artikel 277a, eerste, tweede en derde lid, aangevuld met de op dezelfde situatie betrekking hebbende bepaling uit artikel 280a. Het betreft een specifieke regeling voor de schorsing van het onderzoek indien de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt."
12. Bij de wijziging van het Wetboek van Strafvordering van 1998 kregen verschillende artikelen een andere plaats en moest een hernummering plaatsvinden. Het oude artikel 277a Sv werd opgenomen in de leden 1 - 3 van het nieuwe art. 282 Sv Pro, het oude art. 280a Sv kreeg een plaats in het vierde lid van het nieuwe artikel 282 Sv Pro.
13. Volgens het oude art. 415 Sv Pro was artikel 277a Sv in hoger beroep wel van toepassing maar artikel 280a Sv niet. In de memorie van toelichting wordt met betrekking tot de wijziging van art. 415 Sv Pro slechts opgemerkt dat het hier een technische aanpassing betreft(3). Niettemin bracht wijziging van art. 415 Sv Pro mee, dat de regeling, die oorspronkelijk was vervat in art. 277a Sv, naar de letter van de wet in hoger beroep niet meer van toepassing is.
14. In de wetsgeschiedenis duidt niets er op dat de wetgever de regeling zoals deze was vervat in art. 277a oud Sv, voor de hoger beroepsfase uitdrukkelijk heeft willen uitsluiten. Gelet op de ratio van die regeling - bewaken van de voortgang in zaken waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt - valt niet in te zien waarom op dat punt onderscheid zou moeten worden gemaakt tussen de fase van eerste aanleg en die van hoger beroep. Het heeft er alle schijn van dat, waar artikel 280a Sv in de oude regeling uitdrukkelijk van de toepassing in hoger beroep was uitgesloten, de wetgever bij de hernummering over het hoofd heeft gezien dat het nieuwe artikel 282 Sv Pro naast het oude 280a Sv ook het oude 277a Sv omvat(4).
15. Ik ben dan ook van mening dat hier sprake is van een evidente vergissing van de wetgever. De leden 1 - 3 van art. 282 Sv Pro zijn daarom mijns inziens ook op de procedure in hoger beroep van toepassing. Dit brengt mij, gelet op hetgeen ik hiervoor onder nr. 7 heb uiteengezet, evenwel niet tot een ander oordeel omtrent het voorgestelde middel.
16. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in artikel 81 RO Pro bedoelde motivering.
17. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Terzijde merk ik op dat ook als ter zake wel een beroep op art. 359a Sv was gedaan, dit niet wegneemt dat art. 359a Sv op het gestelde gebrek niet van toepassing is omdat het hier niet gaat om een verzuim in het voorbereidend onderzoek. Zie HR 30 maart 2004, 00281/03, rov. 3.4.2.
2 Zie de vorige noot.
3 Kamerstukken II, 1995-1996, 24 692, nr 3. p. 29.
4 Zo ook G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, 4e druk 2002, p. 710. Minder stellig J.P Balkema in Handboek strafzaken par. 44.9.