ECLI:NL:PHR:2004:AR4196

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00947/04 J
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 404 lid 1 SvArt. 407 lid 2 SvArt. 300 lid 1 SrArt. 350 lid 1 SrArt. 47 lid 1 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid hoger beroep bij vrijspraak in cumulatief tenlastegelegd feit

In deze zaak stond verdachte terecht voor twee cumulatief tenlastegelegde feiten: mishandeling van het slachtoffer en vernieling van diens fiets. De rechtbank sprak verdachte vrij van het feit van vernieling, maar veroordeelde hem voor mishandeling.

Verdachte stelde hoger beroep in tegen het vonnis, maar de Hoge Raad overwoog dat op grond van artikel 404 lid 1 Sv Pro een verdachte niet-ontvankelijk is in hoger beroep voor een feit waarvoor hij in eerste aanleg is vrijgesproken. Dit betekent dat het hoger beroep alleen betrekking kon hebben op het mishandelingsfeit.

De Hoge Raad bevestigde dat de cumulatief tenlastegelegde feiten zo met elkaar verbonden waren dat zij niet als afzonderlijke feiten in hoger beroep konden worden behandeld. Het hof had daarom terecht aangenomen dat het hoger beroep zich uitstrekte over de gehele tenlastelegging, ondanks de vrijspraak voor vernieling. Het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk in hoger beroep voor het vrijgesproken feit; cassatieberoep wordt verworpen.

Conclusie

Griffienr. 00947/04 J
Mr. Wortel
Zitting:12 oktober 2004
Conclusie inzake:
[verzoeker=verdachte]
1. Namens verzoeker is cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarbij verzoeker wegens "mishandeling" en "opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen" is veroordeeld tot een geldboete van € 150,=, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van drie dagen.
2. Namens verzoeker heeft mr. G.J.P.M. Mooren, advocaat te Oisterwijk, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Dit behelst de klacht dat het Hof heeft miskend dat een verdachte ingevolge het eerste lid van art. 404 Sv Pro alleen hoger beroep kan instellen in de gevoegde zaken waarin hij niet van de gehele tenlastelegging is vrijgesproken.
4. Aan verzoeker is bij inleidende dagvaarding tenlastegelegd dat
"hij op of omstreeks 28 mei 2002, te Loon op Zand (Doelen), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend
- (op het moment dat een persoon, te weten [het slachtoffer], op een fiets reed/ was gezeten), (met kracht) (met geschoeide voet) tegen (de stang van) die fiets heeft geschopt en/of getrapt en/of
- (met kracht) (met geschoeide voet) op/tegen het (rechter-)been van die [slachtoffer] heeft geschopt en/of getrapt en/of
- (met kracht) het (rechter-)been van die [slachtoffer] heeft vastgepakt/-gegrepen en/of (vervolgens) dat been (met kracht) (gedeeltelijk) heeft (om-) gedraaid/verdraaid, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;
art 300 lid 1 Wetboek Pro van Stafrecht
art. 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht
en/of
hij op of omstreeks 28 mei 2002, te Loon op Zand (Doelen), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een fiets, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [het slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan een hem, verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;
art. 350 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht
art. 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht".
5. Daarvan is in eerste aanleg bewezenverklaard dat verzoeker:
"op 28 mei 2002 te Loon op Zand (Doelen) tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk mishandelend
- op het moment dat een persoon, te weten [het slachtoffer], op een fiets reed, met kracht met geschoeide voet tegen de stang van die fiets heeft getrapt;
- met kracht met geschoeide voet tegen het rechterbeen van die [slachtoffer] heeft geschopt;
- met kracht het rechterbeen van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en vervolgens dat been heeft omgedraaid,
waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden".
6. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat in de inleidende dagvaarding twee feiten, te weten mishandeling en vernieling, cumulatief zijn tenlastegelegd terwijl de kinderrechter in de Rechtbank verzoeker van het tweede feit heeft vrijgesproken. Nu verzoeker ingevolge art. 404, eerste lid, Sv geen hoger beroep kon instellen tegen de vrijspraak ter zake van de tenlastegelegde vernieling, had, zo wordt betoogd, het Hof moeten aannemen dat het alleen namens verzoeker ingestelde hoger beroep (impliciet) beperkt was in de zin van art. 407, tweede lid, Sv.
7. Nu
- de in het eerste onderdeel van de tenlastelegging omschreven mishandeling van [het slachtoffer] omvat dat verzoeker tegen een stang van het door [het slachtoffer] bereden rijwiel heeft getrapt;
- de beide onderdelen van de tenlastelegging verbonden zijn met "en/of", waarmee de steller van de tenlastelegging klaarblijkelijk heeft beoogd bewezen- en strafbaarverklaring ter zake van de vernieling mogelijk te maken naast, maar eventueel ook in plaats van, de mishandeling;
- het tweede, op beschadiging van de fiets van [het slachtoffer] gerichte, onderdeel van de tenlastelegging geen nadere omschrijving inhoudt van de gedragingen waardoor die fiets is beschadigd, en in zoverre kennelijk voortbouwt op het eerste onderdeel van de tenlastelegging;
meen ik dat het Hof de inleidende dagvaarding aldus kon verstaan dat verzoeker gedragingen worden verweten die, ofschoon volgens de steller van de tenlastelegging binnen twee wettelijke delictsomschrijvingen vallend en daarom twee misdrijven opleverend, zozeer met elkaar verband houden dat zij niet als afzonderlijke, in de zin van art. 407, tweede lid, Sv gevoegd aan het oordeel van de Rechtbank onderworpen, feiten zijn te beschouwen.
8. Daarom kon het Hof naar mijn inzicht aannemen dat het in de inleidende dagvaarding uitgedrukte verwijt in volle omvang aan zijn oordeel was onderworpen, zodat het middel vergeefs is voorgesteld.
9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,