ECLI:NL:PHR:2004:AR3725

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00707/04 E
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WavArt. 28 WEDArt. 28 lid 1 WEDArt. 28 lid 3 WEDArt. 29 WED
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geldigheid voorlopige maatregel en werkgeversaansprakelijkheid bij illegale tewerkstelling

In deze zaak stond centraal de vraag of verdachte terecht werd veroordeeld voor het laten verrichten van arbeid door vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning, en het opzettelijk handelen in strijd met een voorlopige maatregel opgelegd door de officier van justitie (OvJ) op grond van de Wet op de economische delicten (WED).

De verdachte was door het hof veroordeeld voor meerdere overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) en voor het opzettelijk handelen in strijd met een voorlopige maatregel als bedoeld in artikel 28 WED Pro. De verdediging voerde onder meer aan dat een andere rechtspersoon als werkgever moest worden aangemerkt en dat de voorlopige maatregel niet rechtmatig was opgelegd.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had vastgesteld dat verdachte als werkgever kon worden aangemerkt, gelet op verklaringen van Poolse werknemers en de feitelijke bedrijfsvoering. Ook werd bevestigd dat de voorlopige maatregel rechtsgeldig was opgelegd, omdat voldaan was aan de voorwaarden van artikel 28 WED Pro, waaronder het vereiste van onmiddellijk ingrijpen. Daarnaast werd geoordeeld dat het hof ten onrechte niet gemotiveerd had beslist op enkele verweren, maar dat dit geen vernietiging van het arrest rechtvaardigde omdat de verdachte geen belang had bij herziening.

Ten slotte bevestigde de Hoge Raad dat er geen sprake was van eendaadse samenloop tussen de overtredingen van de Wav en het opzettelijk handelen in strijd met de voorlopige maatregel, omdat de strekking van de bepalingen verschillend is. Het beroep van verdachte werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling van verdachte voor illegale tewerkstelling en het overtreden van de voorlopige maatregel blijft in stand.

Conclusie

Nr. 00707/04 E
Mr. Vellinga
Zitting: 5 oktober 2004
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens 1. "overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2, eerste lid van de Wet arbeid vreemdelingen, begaan door een rechtspersoon, drieëntwintig maal gepleegd", 2. "overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2, eerste lid van de Wet arbeid vreemdelingen, begaan door een rechtspersoon, vijf maal gepleegd" en 3. "opzettelijk handelen in strijd met een voorlopige maatregel als bedoeld in artikel 28 van Pro de Wet op de economische delicten, begaan door een rechtspersoon" veroordeeld ten aanzien van feit 1 tot drieëntwintig maal een geldboete van elk € 1500,-, ten aanzien van feit 2 tot vijf maal een geldboete van elk € 1500,- en ten aanzien van feit 3 tot een geldboete van € 10.000,-. Voorts heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van voorwaardelijk opgelegde straffen.
2. Namens verdachte zijn door mr. F.H.H. Sijbers en mr. R. de Bree, beiden advocaat te Rotterdam, vier middelen van cassatie ingediend.
3. Het eerste middel bevat de klacht dat het Hof de verwerping van het verweer dat op grond van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen niet kan worden uitgesloten dat een ander dan de verdachte werkgever is geweest van de Poolse arbeiders, niet toereikend heeft gemotiveerd.
4. Ten laste van verdachte is als feit 1 en 2 bewezenverklaard, kort gezegd, dat zij als werkgeefster een aantal vreemdelingen arbeid heeft laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning. Als feit 3 is bewezenverklaard dat:
"zij op 11 december 2001 te Zwaagdijk-Oost, gemeente Wervershoof
- nadat aan verdachte vanwege de officier van justitie ingevolge artikel 28 van Pro de Wet op de economische delicten, als voorlopige maatregel was bevolen zich te onthouden van handelingen welke in strijd zijn met voorschriften gesteld bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen, in het bijzonder van het voortzetten van de werkzaamheden met behulp van werknemers waarvan niet aantoonbaar kan worden vastgesteld dat verdachte en/of haar vennoten zich overtuigd heeft/hebben van de verblijfsstatus van de werknemers in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 en/of het vereist zijn van een tewerkstellingsvergunning ingevolge de Wet arbeid vreemdelingen en welke voorlopige maatregel verdachte op 27 november 2001 in persoon was betekend - meermalen opzettelijk heeft gehandeld in strijd met die voorlopige maatregel, immers heeft verdachte telkens toen daar opzettelijk vreemdelingen arbeid laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning."
5. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
"Voorts heeft de raadsman ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte niet zou kunnen worden aangemerkt als werkgeefster in de zin van artikel 2 van Pro de Wet arbeid vreemdelingen, omdat de bewijsmiddelen de mogelijkheid openlaten dat een andere rechtspersoon of natuurlijk persoon als werkgever dient te worden aangemerkt. Hierbij voert de raadsman als lezing van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen in het bijzonder aan dat [betrokkene 6], handelende onder de naam V.O.F. [A], als werkgever dient te worden aangemerkt.
(...)
5. Met betrekking tot het verweer dat de bewijsmiddelen de mogelijkheid openlaten dat niet verdachte maar een andere rechtspersoon of natuurlijk persoon als werkgever dient te worden aangemerkt overweegt het hof in de eerste plaats dat uit het enkele feit dat slechts de [verdachte] Holding B.V. gevestigd is op het adres waar de Poolse vreemdelingen feitelijk zijn aangetroffen, niet de conclusie valt te trekken dat de activiteiten die op het moment van de doorzoeking werden geconstateerd, vallen onder de bedrijfsuitoefening van de aldaar gevestigde rechtspersoon.
6. Uit de door [betrokkene 1], bestuurder van verdachte ten tijde van tenlastegelegde feiten, ten overstaan van Van Harn en Zondervan, inspecteurs van de Arbeidsinspectie, afgelegde verklaring van 22 januari 2002 over de [verdachte] Groep blijkt bovendien het volgende:
- slechts binnen de onderneming van verdachte, [verdachte], wordt met personeel gewerkt;
- verdachte wordt door de bestuurder als 'het bedrijf' aangemerkt;
- binnen de onderneming [verdachte] Holding BV, worden geen activiteiten ontplooid; deze besloten vennootschap houdt zich bezig met de onroerende zaken uit de [verdachte] Groep;
- binnen beheer van de [verdachte] B.V. bevinden zich de machines uit de [verdachte] Groep, welke ter beschikking worden gesteld aan 'het bedrijf'.
7. Niet voldoende aannemelijk is geworden dat binnen de onderneming [verdachte] Holding BV of de [verdachte] B.V. met personeel gewerkt zou worden en deze als werkgeefster van de aangetroffen Poolse vreemdelingen zouden kunnen worden aangemerkt. In zoverre wordt het verweer verworpen. Derhalve blijft slechts de onderneming [verdachte] over.
8. Ten aanzien van de door de raadsman in het bijzonder gegeven lezing als zou [betrokkene 6], handelende onder de naam VOF [A], als werkgever dienen te worden aangemerkt, overweegt het hof dat de Poolse vreemdelingen die op 27 november 2001 en 11 december 2001 werden aangetroffen met bijstand van een tolk zijn gehoord. [Betrokkene 2] verklaart op 27 november 2001 in dienst te zijn bij en aangenomen te zijn door [betrokkene 1], wiens functie hij omschrijft als 'baas'. [Betrokkene 7] verklaart op 11 december 2001 in dienst te zijn bij [betrokkene 1]. [Betrokkene 3] verklaart op 13 december 2001 dat hij illegaal en zwart werkt bij [betrokkene 1] sedert 1994, dat hij zijn loon krijgt van [betrokkene 1] en dat [betrokkene 1] alle Poolse werknemers die bij hem werkten zelf uitbetaalde. [Betrokkene 4] verklaart op 13 december 2001 dat de door hem ingevulde lijsten (het hof leest: dagproductie opplanten 00-01) 's morgens in een ordner van [betrokkene 1] werden gedaan, dat deze ordner werd klaargelegd door personeel van [betrokkene 1], dat de mensen die op de lijsten (het hof leest: dagproductie opplanten 00-01) staan allen Polen zijn die illegaal en zwart werken en dat zij voor [betrokkene 1] werken.
9. Uit de op 13 december 2001 ten overstaan van Van Harn en Niewold, inspecteurs van de Arbeidsinspectie, door de vennoten van de VOF [A] [betrokkene 4] en [betrokkene 3] afgelegde verklaringen blijkt het volgende:
- de VOF heeft geen bedrijfsmiddelen, de vennoten weten zo goed als niets van het bedrijf en kregen vrijwel geen geld uit het bedrijf;
- er hebben geen vergaderingen of winstdelingen plaatsgevonden waarbij de vennoten betrokken zijn geweest;
- [betrokkene 3] verklaart dat [betrokkene 1] de VOF [A] opgericht en georganiseerd heeft en dat [betrokkene 4] regelmatig grote bedragen contant geld bij de bank haalde en dit aan [betrokkene 1] gaf;
- [betrokkene 4] verklaart dat als hij geld had opgehaald bij de bank, hij dat geld aan [betrokkene 1] of iemand van de familie [...] gaf, dat [betrokkene 1] de vennoten van de VOF [A] vertelde wanneer en hoe lang gewerkt kon worden, dat de VOF [A] eigenlijk niets voorstelt en dat er gewoon voor [betrokkene 1] gewerkt wordt.
10. De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting de door de vennoten van de VOF [A], [betrokkene 3], [betrokkene 4] en [betrokkene 5] ten overstaan van de rechter-commissaris terzake van een reeds afgedane strafzaak tegen verdachte met betrekking tot overtreding van artikel 2 van Pro de Wet arbeid vreemdelingen afgelegde verklaringen van 28 september 1999 overgelegd. Uit deze verklaringen, in samenhang met de verklaringen van 13 december 2001, blijkt dat de vennoten geen invloed konden uitoefenen op de selectie van de arbeidskrachten die werkzaam waren in de bedrijfsruimten van verdachte, dat zij niet wisten wat financiële verplichtingen van de VOF aan verdachte inhielden en dat zij evenmin op de hoogte waren van de bedrijfsresultaten van de VOF.
11. Op 9 januari 2002 heeft [betrokkene 6] ten overstaan van Van Harn en Zondervan, inspecteurs van de Arbeidsinspectie het volgende verklaard:
- dat zijn functie bij de VOF is het doen van de administratie, het sluiten van overeenkomsten met de veilingen te Aalsmeer en Rijnsburg en het beheren van de bankrekening.
12. Blijkens het op 22 december 2001 verstrekte afschrift van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken van 14 februari 1995 staat [betrokkene 6] omschreven als gevolmachtigde om de VOF in en buiten rechte te vertegenwoordigen, bankrekeningen te openen en te beheren en administratieve handelingen te verrichten.
13. In zijn op 22 januari 2002 afgelegde verklaring heeft de toenmalige bestuurder van verdachte verklaard dat [betrokkene 6] de administratieve man van de firma [A] is en hij hem niet in een andere hoedanigheid dan van administrateur kent.
14. Gelet op deze verklaringen acht het hof het niet aannemelijk geworden dat [betrokkene 6], handelende onder de naam VOF [A], bedrijfsactiviteiten ontplooide in het bedrijf van verdachte en dat de daar aangetroffen Poolse vreemdelingen feitelijk arbeid verrichten voor [betrokkene 6], handelende onder de naam VOF [A]. Derhalve verwerpt het hof het verweer."
6. Hetgeen het Hof heeft overwogen naar aanleiding van het ter 's Hofs terechtzitting gevoerde verweer moet aldus worden begrepen dat de gebezigde bewijsmiddelen gelezen in onderling verband en samenhang uitsluiten dat [betrokkene 6], handelende onder de naam V.O.F. [A], werkgever was van de in de bewezenverklaring genoemde personen en dat de mogelijkheid dat anderen dan verdachte of [betrokkene 6] werkgever van de in de bewezenverklaring genoemde personen waren in het licht van de gebezigde bewijsmiddelen zo onwaarschijnlijk is, dat nader bewijs dat die mogelijkheid uitsluit niet noodzakelijk is.
7. Dat de bewijsmiddelen uitsluiten dat [betrokkene 6], handelende onder de naam V.O.F. [A], werkgever was van de in de bewezenverklaring genoemde personen baseert het Hof - kort gezegd - op de volgende, in de gebezigde bewijsmiddelen opgenomen feiten en omstandigheden:
- de V.O.F. [A] heeft geen bedrijfsmiddelen;
- de vennoten van de V.O.F. [A], waaronder de in de bewezenverklaring genoemde personen van Poolse nationaliteit [betrokkene 4] en [betrokkene 3], weten zo goed als niets van het bedrijf en kregen vrijwel geen geld uit het bedrijf;
- er hebben geen vergaderingen of winstdelingen plaatsgevonden waarbij de vennoten - kennelijk genoemde [betrokkene 4] en [betrokkene 3] - betrokken zijn geweest;
- [betrokkene 1], bestuurder van verdachte, vertelde de vennoten van V.O.F. [A] wanneer en hoe lang gewerkt kon worden;
- [betrokkene 4] gaf als hij geld ophaalde - voor kennelijk de V.O.F. [A] - dat geld aan [betrokkene 1] of de familie [...];
- een aantal van de in de bewezenverklaring genoemde personen van Poolse nationaliteit, waaronder genoemde vennoot [betrokkene 3], verklaart in dienst te zijn bij [betrokkene 1] en - [betrokkene 3] - dat [betrokkene 1] alle Poolse werknemers die bij hem zelf werkten zelf uitbetaalde;
- volgens [betrokkene 4], één der vennoten van V.O.F. [A], waren de mensen die voorkwamen op de lijsten dagproductie opplanten 00-01, die door hem werden ingevuld en door hem voor [betrokkene 1] in een ordner werden gedaan, allen Polen die voor [betrokkene 1] werkten;
- de functie van [betrokkene 6] hield in het doen van de administratie voor V.O.F. [A], het sluiten van overeenkomsten met de veilingen te Aalsmeer en Rijnsburg en het beheren van de bankrekening.
8. In aanmerking genomen dat uit deze feiten en omstandigheden volgt dat noch [betrokkene 6] noch de V.O.F. [A] iets van doen had met het aannemen van personeel, het toezicht houden op de verrichte werkzaamheden en het uitbetalen van loon sluiten de gebezigde bewijsmiddelen, zoals het Hof kennelijk tot uitdrukking heeft willen brengen, uit dat [betrokkene 6] - handelende onder de naam V.O.F. [A] - optrad als werkgever van de in de bewezenverklaring genoemde personen. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en voor het overige zodanig verweven met waarderingen van feitelijke aard dat het zich niet leent voor verdere toetsing in cassatie.
9. In het licht van hetgeen het Hof heeft overwogen in zijn hiervoor aangehaalde overweging onder 6 alsmede over de positie van [betrokkene 1] en zijn verhouding tot de in de bewezenverklaring genoemde personen geldt hetzelfde voor het oordeel van het Hof dat anderen dan verdachte of [betrokkene 6] werkgever van de in de bewezenverklaring genoemde personen waren.
10. Het middel faalt.
11. Het tweede middel richt zich tegen de verwerping door het Hof van het verweer dat de voorlopige maatregel niet rechtmatig is opgelegd, omdat niet is voldaan aan de in art. 28 lid 1 WED Pro neergelegde voorwaarde dat de maatregel slechts mag worden uitgevaardigd wanneer de belangen die door het vermoedelijk overtreden voorschrift worden beschermd onmiddellijk ingrijpen vereisen.
12. Het Hof heeft het bedoelde verweer als volgt verworpen:
"Met betrekking tot het standpunt van de raadsman dat, bij gebreke van ernstige bezwaren en een spoedeisend belang, de officier van justitie geen voorlopige maatregel had mogen bevelen oordeelt het hof als volgt. Blijkens het door de inspecteur van de Arbeidsinspectie Van Harn op 8 november 2001 opgemaakte proces-verbaal met nummer 520 l0010l-A is op 19 oktober 2000 - wegens eerdere veroordelingen en blijvende signalen omtrent illegale tewerkstelling - bij verdachte een onderzoek naar de naleving van voorschriften op grond van de Wet arbeid vreemdelingen ingesteld. Naar aanleiding van de bevindingen van dit onderzoek alsmede het verleden van verdachte was sprake van een redelijk vermoeden van structurele overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen door verdachte. Dit heeft geleid tot de doorzoeking van 27 november 2001. Tijdens die doorzoeking werden 30 werknemers aangetroffen welke arbeid verrichtten, waarvan 16 werknemers wegens het niet kunnen tonen van en identiteitsbewijs voor verhoor naar het politiebureau zijn overgebracht. Het hof is van oordeel dat uit deze feiten en omstandigheden blijkt van ernstige bezwaren tegen verdachte in de zin van artikel 28 van Pro de Wet op de economische delicten. Gezien de aard en de omvang van de overtreding was daarnaast het onmiddellijk ophouden van de overtreding vereist. Het verweer wordt verworpen."
13. In de toelichting op het middel wordt er over geklaagd dat niet duidelijk is wat het Hof bedoelt met zijn oordeel dat "de aard en omvang van de overtreding" het onmiddellijk ophouden van de overtreding vereiste.
14. Deze klacht gaat niet op. In de strafmotivering merkt het Hof over de aard en omvang van de overtreding immers op:
"Verdachte heeft op grote schaal vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning arbeid laten verrichten. De illegale tewerkstelling levert verdachte niet alleen grote fiscale voordelen op. De onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten zijn economische delicten. Deze hebben tot gevolg dat telers van bloembollen die zich wel aan de voorschriften houden, worden benadeeld, omdat hen oneerlijke concurrentie wordt aangedaan."
15. Voorts wordt in de toelichting op het middel betoogd dat het Hof is uitgegaan van een onjuiste uitleg van de wettelijke voorwaarde van onmiddellijk ingrijpen. Een goede werking van de arbeidsmarkt vormt onvoldoende onderbouwing van de noodzaak tot onmiddellijk ingrijpen, aldus de steller van het middel.
16. In aanmerking genomen dat de strafbaarheid van art. 2, eerste lid, Wav er op is gericht te voorkomen dat werkgevers een concurrentievoordeel kunnen behalen door zich niet te houden aan de voorschriften van die wet, getuigt het oordeel van het Hof niet van een onjuiste rechtsopvatting, is het niet onbegrijpelijk en behoeft het gezien het ontbreken van een onderbouwing van het namens verdachte gevoerde verweer geen nadere motivering.
17. Het middel faalt.
18. Het derde middel strekt ten betoge dat het Hof niet ongemotiveerd had mogen voorbijgaan aan de ter terechtzitting gevoerde verweren (1) dat de onderhavige voorlopige maatregel neerkwam op stillegging van de onderneming en derhalve het wettelijk kader van art. 28 WED Pro te buiten ging en (2) dat het gegeven bevel zo weinig geconcretiseerd is dat het geen bevel inhoudt zich te onthouden van bepaalde handelingen als bedoeld in art. 28 lid Pro 1, aanhef en onder a, WED.
19. Het Hof heeft inderdaad niet een met redenen omklede beslissing omtrent genoemde verweren gegeven. Dat had het Hof wel moeten doen. In het kader van vervolging ter zake van art. 184 Sr Pro dient gemotiveerd te worden beslist op een verweer betreffende de rechtmatigheid van het gegeven bevel omdat aldus een rechtsvraag aan de orde wordt gesteld.(1) Ik meen dat dat niet anders is voor een beroep op de onrechtmatigheid van de voorlopige maatregel in het kader van een vervolging ter zake van art. 33 WED Pro.(2) Ook dan wordt immers, ook al is het verweer gericht tegen bewijs van het tenlastegelegde, een rechtsvraag aan de orde gesteld. In zoverre is het middel dus gegrond. In beginsel dient het achterwege blijven van een gemotiveerde beslissing op genoemde verweren dus te leiden tot vernietiging van het bestreden arrest.
20. Voor wat betreft het eerste verweer staat daar echter het volgende tegenover. Van de zijde van verdachte is niet betoogd dat het bevel geheel of gedeeltelijke stillegging van haar onderneming impliceerde. Namens verdachte is aangevoerd dat - ook als verdachte zou worden aangemerkt als werkgever van de in de tenlastelegging onder 1 en 2 genoemde personen - de maatregel zou leiden tot stillegging van de onderneming van V.O.F. [A] (pleitnota hoger beroep, 5.9). De enkele omstandigheid dat het gevolg van het bevel zou zijn dat een andere onderneming dan die van verdachte door naleving van het bevel door verdachte zou komen stil te liggen brengt nog niet mee dat het tot de verdachte gerichte bevel een bevel inhoudt tot (gedeeltelijke) stillegging van haar als geadresseerde van het bevel gedreven onderneming en daarom gelet op het bepaalde in art. 29 WED Pro tot de bevoegdheid van de Rechtbank zou behoren. Daarom kan het verweer, ook al wordt uitgegaan van de juistheid van de gestelde feiten, niet meebrengen dat de officier van justitie zijn in art. 28 WED Pro geregelde bevoegdheid te buiten is gegaan. Het Hof had het eerste verweer dus slechts kunnen verwerpen. Daarom behoeft de omstandigheid dat het Hof heeft verzuimd het eerste verweer te verwerpen dus toch niet tot cassatie te leiden.(3)
21. Terzijde merk ik op dat ik met de steller van het middel van opvatting ben dat een voorlopige maatregel niet zover mag gaan dat deze neerkomt op toepassing van een voorlopige maatregel als bedoeld in art 29, lid 1 aanhef en onder a, b en c WED. (4)
22. Met betrekking tot het tweede verweer, dat de vraag oproept of het bevel wel het onthouden van handelingen in de zin van art. 28, eerste lid aanhef en onder b, WED inhoudt, ligt het niet anders.
23. De tekst van de voorlopige maatregel luidt:
"De Officier van Justitie in het arrondissement Alkmaar
Beveelt voornoemd bedrijf, [verdachte], alsmede haar vennoten, zich te onthouden van handelingen welke in strijd zijn met voorschriften gesteld bij of krachtens artikel 2 lid 1 van Pro de Wet arbeid vreemdelingen, in het bijzonder van het voortzetten van de werkzaamheden met behulp van werknemers waarvan niet aantoonbaar kan worden vastgesteld dat [verdachte] en/of haar vennoten zich overtuigd heeft/hebben van de verblijfsstatus van de werknemers in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 en/of het vereist zijn van een tewerkstellingsvergunning ingevolge de Wet arbeid vreemdelingen."
24. Blijkens de pleitnota (zie punt 5.10) heeft de verdediging zich in hoger beroep ten aanzien van de inhoud van de voorlopige maatregel op het standpunt gesteld dat "hetgeen al dan niet aantoonbaar kan worden vastgesteld terzake de vraag of [verdachte] zich ergens van overtuigd heeft geen handeling als bedoeld in art. 28, lid 1 a WED (is)".
25. Kennelijk en - mede bij gebreke van enig daartoe strekkend verweer - niet onbegrijpelijk oordeelde het Hof dat het de verdachte duidelijk was dat het onderhavige bevel strekte tot het verbieden van het vreemdelingen arbeid laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning. Aldus verstaan behelst de voorlopige maatregel een handeling als bedoeld in art. 28, lid 1 onder a, WED. Vervolgens worden nog enige bijzondere zorgplichten geformuleerd voor die gevallen waarin de verboden handeling wordt verricht, maar kern van de voorlopige maatregel blijft dat verdachte niet mag handelen in strijd met het bepaalde in art. 2 Wav Pro, te weten dat hij vreemdelingen geen arbeid mag laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning. Het Hof had ook dit verweer dus slechts kunnen verwerpen.
26. Nu de verdachte aldus door de Hoge Raad duidelijk kan worden gemaakt dat en waarom zijn verweren hadden moeten worden verworpen, heeft verdachte bij vernietiging van het bestreden arrest vanwege genoemd verzuim van het Hof geen belang meer.
27. Het middel faalt in al zijn onderdelen.
28. Het vierde middel komt op tegen de verwerping door het Hof van het verweer dat ten aanzien van de feiten 2 en 3 sprake is van eendaadse samenloop.
29. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt verworpen:
" Met betrekking tot het verweer dat de rechtbank heeft miskend dat in de verhouding tussen de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten sprake is van een eendaadse samenloop, overweegt het hof het volgende. De beantwoording van de vraag of sprake is van een eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, dient te worden beoordeeld aan de hand van de - gelijksoortige - strekking van de overtreden bepalingen. Het hof is van oordeel dat dat in casu niet het geval is, nu de strekking van artikel 28 van Pro de Wet op de economische delicten gelezen in verbinding met artikel 33 van Pro die wet gelegen is in de handhaving en de bescherming van een justitieel bevel bij optreden tegen gedragingen die het justitieel gezag trachten aan te tasten, terwijl de achterliggende ratio van het bepaalde in artikel 2, eerste lid van de Wet arbeid vreemdelingen een geheel andere is. Die bepaling strekt ertoe te verzekeren dat sprake is van een goede werking van de arbeidsmarkt, waaronder mede is te verstaan het weren van illegale arbeidskrachten mede uit een oogpunt van eerlijke concurrentie.
Nu de strekking van beide bepalingen niet gelijksoortig is, is geen sprake van een situatie van eendaadse samenloop, maar van meerdaadse samenloop waarvan de straftoemeting wordt beheerst - nu sprake is van samenloop van overtredingen en een misdrijf - door artikel 62 van Pro het Wetboek van Strafrecht. De straffen ter zake van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten mogen dan ook binnen dat kader worden gecumuleerd. Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat sprake is geweest van dubbele berechting faalt dit verweer derhalve."
30. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat de voorlopige maatregel zo algemeen is geformuleerd dat deze in feite een herhaling vormt van het verbod van art. 2 lid 1 Wet Pro arbeid vreemdelingen. Nu feit 2 betrekking heeft op diezelfde norm is sprake van eendaadse samenloop met feit 3, aldus de steller van het middel.
31. Valt een feit in meer dan één strafbepaling dan is geen sprake van eendaadse samenloop in de zin van art. 55 lid 1 Sr Pro indien die strafbepalingen van verschillende strekking zijn.(5)
32. Het gaat hier om overtreding van art. 2 lid 1 Wet Pro arbeid vreemdelingen enerzijds en overtreding van art. 28 lid 1 jo Pro. art. 33 WED Pro anderzijds. De Wet arbeid vreemdelingen strekt er volgens de memorie van toelichting toe de restrictieve toelating van arbeidsmigranten te handhaven, de allocatie op de arbeidsmarkt te verbeteren, illegale tewerkstelling te bestrijden en een zo groot mogelijke arbeidskeuze te laten aan eenmaal duurzaam tot Nederland toegelaten vreemdelingen.(6) Art. 33 WED Pro, dat het opzettelijk overtreden van een voorlopige maatregel als economisch delict bestempelt, beoogt, voor zover hier van belang, te bevorderen dat in zoveel mogelijk gevallen vrijwillig zal worden voldaan aan de verplichtingen die uit voorlopige maatregelen voortvloeien. Het beschermde belang is dat van het openbaar gezag, meer in het bijzonder het gezag van de justitiële autoriteiten.(7) De betrokken bepalingen zijn dus niet van dezelfde strekking. Het oordeel van het Hof en de daarvoor gebezigde motivering zijn dus juist.
33. Het middel faalt.
34. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
35. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 G.J.M. Corstens, het Nederlands strafprocesrecht, vierde druk, p. 670, 671. Aan deze verweren kan niet worden voorbijgegaan omdat verdachte wijziging of opheffing van de maatregel had kunnen vragen (art. 28 lid 3 WED Pro); zie o.a. HR 24 september 2002, NJ 2003, 80, m.nt. YB.
2 Zie B.F. Keulen, Economisch strafrecht, Gouda Quint 1995, p. 387, die verwijst naar HR 28 februari 1989, NJ 1990, 7
3 HR 10 okt. 1995, NJ 1996, 356, nt. MSG, rov. 7.2.
4 Kamerstukken II, 1947-1948, 603, nr. 3, p.25, en (met verwijzing naar deze wetsgeschiedenis) evenzo A. Mulder en D.R. Dorenbos, Schets van het economisch strafrecht, zesde druk, p. 81, Hartmann in T&C Strafrecht, vierde druk ad art. 28 WED Pro. Voorts N. Jörg, Economische delicten, in Handboek Strafzaken, p. 99.5-1 (suppl. sept. 2002).
5 J. de Hullu, Materieel strafrecht, tweede druk, p. 516.
6 Kamerstukken II, 1993-1994, 23 574, nr. 3, p. 4.
7 Kamerstukken II, 1947-1948, 603, nr. 3, p. 26.