ECLI:NL:PHR:2004:AR3725
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geldigheid voorlopige maatregel en werkgeversaansprakelijkheid bij illegale tewerkstelling
In deze zaak stond centraal de vraag of verdachte terecht werd veroordeeld voor het laten verrichten van arbeid door vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning, en het opzettelijk handelen in strijd met een voorlopige maatregel opgelegd door de officier van justitie (OvJ) op grond van de Wet op de economische delicten (WED).
De verdachte was door het hof veroordeeld voor meerdere overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) en voor het opzettelijk handelen in strijd met een voorlopige maatregel als bedoeld in artikel 28 WED Pro. De verdediging voerde onder meer aan dat een andere rechtspersoon als werkgever moest worden aangemerkt en dat de voorlopige maatregel niet rechtmatig was opgelegd.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had vastgesteld dat verdachte als werkgever kon worden aangemerkt, gelet op verklaringen van Poolse werknemers en de feitelijke bedrijfsvoering. Ook werd bevestigd dat de voorlopige maatregel rechtsgeldig was opgelegd, omdat voldaan was aan de voorwaarden van artikel 28 WED Pro, waaronder het vereiste van onmiddellijk ingrijpen. Daarnaast werd geoordeeld dat het hof ten onrechte niet gemotiveerd had beslist op enkele verweren, maar dat dit geen vernietiging van het arrest rechtvaardigde omdat de verdachte geen belang had bij herziening.
Ten slotte bevestigde de Hoge Raad dat er geen sprake was van eendaadse samenloop tussen de overtredingen van de Wav en het opzettelijk handelen in strijd met de voorlopige maatregel, omdat de strekking van de bepalingen verschillend is. Het beroep van verdachte werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling van verdachte voor illegale tewerkstelling en het overtreden van de voorlopige maatregel blijft in stand.