ECLI:NL:PHR:2004:AR3257

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00715/04
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 SrArt. 359 SvArt. 415 SvArt. 424 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onvoldoende motivering draagkracht bij boeteoplegging

De verdachte werd door het hof veroordeeld tot een geldboete van €1250,- wegens het niet voldoen aan een verplichting mee te werken aan een onderzoek naar rijden onder invloed. Tevens werd een rijontzegging opgelegd. De verdachte voerde aan dat zijn draagkracht onvoldoende was vanwege een WAO-uitkering van circa €700,- en een lening, en dat het hof onvoldoende op dit draagkrachtverweer had gereageerd.

Het hof had bij de strafoplegging slechts summier verwezen naar art. 24 Sr Pro en de ernst van het feit en de persoon van de verdachte, zonder een gemotiveerde reactie op het draagkrachtverweer. De Hoge Raad oordeelt dat dit niet voldoet aan de motiveringseisen van art. 359, vijfde lid, Sv en art. 24 Sr Pro, die expliciete en gemotiveerde beantwoording van het draagkrachtverweer vereisen.

Daarom wordt het arrest vernietigd en wordt de zaak verwezen naar het gerechtshof te 's-Gravenhage voor een nieuwe beoordeling van de strafoplegging, waarbij het hof ambtshalve de draagkracht van de verdachte moet betrekken in haar motivering.

Uitkomst: Arrest vernietigd wegens onvoldoende motivering draagkracht bij boeteoplegging en zaak verwezen voor nieuwe strafoplegging.

Conclusie

Nr.00715/04
Mr. Jörg
Zitting 28 september 2004
Conclusie inzake:
[verzoeker=verdachte]
1. Verzoeker is door het gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 22 oktober 2003 wegens het niet voldoen aan een verplichting mee te werken aan een onderzoek naar rijden onder invloed veroordeeld tot een geldboete van twaalfhonderdvijftig euro bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van vijfentwintig dagen.(1) Tevens is aan verzoeker voor de duur van zes maanden de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen ontzegd, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
2. Namens verzoeker heeft mr. M.J.A. Duker, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel richt zich tegen de motivering van de strafoplegging. Het hof zou ten onrechte niet hebben gerespondeerd op een ter zitting gevoerd draagkrachtverweer.
4. Blijkens het proces-verbaal van terechtzitting van 8 oktober 2003 heeft verzoeker het volgende verklaard:
"Ik heb een WAO-uitkering van € 700,- in verband met een whiplash. Ik ben alleenstaand (). Ik was tijdens de terechtzitting van de politierechter niet boos; ik heb gezegd dat ik de boete niet kon betalen in verband met de lage uitkering die ik heb ()."
5. De pleitnotities houden dienaangaande het volgende in:
"Schade heeft [cliënt] alleen zelf gehad: doordat hij met zijn auto tegen de vangrail aanreed was de auto total-loss.
()
Cliënt heeft een WAO-uitkering en verdient circa € 722,00 per maand en heeft daarnaast een lening bij de Gemeentelijke Kredietbank in Den Haag. Hij is alleenstaande."
6. Het hof heeft ten aanzien van de (hoogte van de) straf - voor zover van belang - het volgende overwogen:
"Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte."
7. Art. 359, vijfde lid, Sv bepaalt:
"Het vonnis geeft in het bijzonder de redenen op, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid."(2)
8. Aan de eis van art. 359, vijfde lid, Sv wordt naar vaste rechtspraak voldaan indien het vonnis een formule bevat als 'deze straf is in overeenstemming met de ernst van het feit en de persoon van de dader' (zie Koopmans in T&C Sv, 5e, aant. 8b op art. 359).
9. Daarnaast eist art. 24 Sr Pro dat rekening wordt gehouden met de draagkracht van de verdachte.
10. Van de rechter die een straf oplegt, moet, gelet op de in art. 359, vijfde lid, Sv vervatte motiveringseis worden verlangd dat hij op een terzake van de draagkracht uitdrukkelijk voorgedragen, met argumenten ondersteund, verweer een uitdrukkelijk en gemotiveerd antwoord geeft (vgl. HR 7 mei 1996, NJ 1997, 407 en HR 13 november 2001, NJ 2002, 233).
11. Hoewel op de vorm waarin de draagkracht van verzoeker aan de orde werd gesteld wel iets valt aan te merken, meen ik dat in het aangevoerde onmiskenbaar een verweer ligt besloten. Daarop had het hof dienen te reageren.
12. In ieder geval had het hof bij zijn verdubbeling van het in eerste aanleg opgelegde boetebedrag ook ambtshalve enige woorden aan de draagkracht van verzoeker dienen te besteden en kon het niet volstaan met de enkele aanhaling van art. 24 Sr Pro. Dat steekt schril af tegen de onverplichte vermelding van 's hofs eenparigheid conform art. 424 Sv Pro.
Anders dan in HR 16 maart 2004, AO1684, NS 2004, 154 (waar het ging om het niet responderen op een - verwerpelijk - verweer van disproportioneel handelen van de politie en het OM, en een geheel voorwaardelijke straf van twee weken was opgelegd) gaat het hier bovendien om een straf die flink aankomt.
13. Ik meen naar aanleiding van het middel dat het arrest niet in stand kan blijven.
14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beslissing en verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te 's-Gravenhage, dat op het bestaande hoger beroep de straf zal dienen te bepalen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 De advocaat-generaal had onder andere een geldboete van zeshonderd euro subsidiair twaalf dagen hechtenis geëist.
2 Ingevolge art. 415 Sv Pro is art. 359 Sv Pro van overeenkomstige toepassing op de procedure in hoger beroep.