ECLI:NL:PHR:2004:AR3226
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Opzet en toerekenbaarheid bij zware mishandeling na vrijwillig gebruik van alcohol en medicijnen
Verdachte werd door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, waarvan vier voorwaardelijk, wegens zware mishandeling van het slachtoffer. Verdachte voerde in cassatie aan dat hij door het gebruik van grote hoeveelheden alcohol en medicijnen niet opzettelijk had gehandeld en dat het feit hem niet kon worden toegerekend.
Het Hof had geoordeeld dat verdachte zich willens en wetens in een toestand had gebracht waarin hij de controle over zijn handelen kon verliezen, en dat hij daarmee de aanmerkelijke kans op verlies van controle bewust had aanvaard. Het feit dat verdachte zich later niets meer kon herinneren, deed hieraan niet af.
De Hoge Raad bevestigt dat een verweer dat opzet ontbreekt wegens dronkenschap alleen kan slagen indien verdachte ten tijde van het handelen volledig ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen ontbrak. Uit verklaringen van slachtoffer en verdachte blijkt dat verdachte wel degelijk enig inzicht had. Het beroep op ontoerekenbaarheid wordt verworpen omdat verdachte vrijwillig de toestand heeft veroorzaakt. Het middel faalt en het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Cassatieberoep verworpen; veroordeling voor zware mishandeling met gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf blijft in stand.