ECLI:NL:PHR:2004:AR2390

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C03/245HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 RvArt. 24 RvArt. 339 lid 2 RvArt. 402 lid 2 RvArt. 421 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt voorschot schadevergoeding wegens schending hoor en wederhoor in kort geding over aanbouw

De zaak betreft een geschil tussen buren over een aanbouw aan een woning, waarbij de verweerder vorderde dat eisers de bouwwerkzaamheden zouden staken en schadevergoeding zouden betalen wegens verminderd woongenot en waardedaling van zijn woning. Het hof oordeelde dat eisers onrechtmatig hadden gehandeld en veroordeelde hen tot betaling van een voorschot op schadevergoeding van € 26.595,-.

In cassatie stelde eisers dat het hof buiten het kader van de rechtsstrijd was getreden door een voorschot op schadevergoeding toe te kennen zonder dat hierover voldoende debat had plaatsgevonden, waarmee het beginsel van hoor en wederhoor was geschonden. De Procureur-Generaal onderschreef deze stelling en benadrukte het belang van een eerlijk proces, waarbij partijen tijdig en duidelijk op de hoogte moeten zijn van de vorderingen en onderbouwing.

De Hoge Raad vernietigde het arrest voor zover het voorschot op schadevergoeding betrof en oordeelde dat het hof het vereiste spoedeisend belang voor toewijzing van een voorschot niet had vastgesteld en dat partijen onvoldoende gelegenheid hadden gehad zich hierover uit te laten. De zaak werd ten principale afgedaan met afwijzing van de overige vorderingen en compensatie van proceskosten in de feitelijke instanties, waarbij verweerder in de kosten van cassatie werd veroordeeld.

Uitkomst: Het hofarrest werd vernietigd voor het voorschot op schadevergoeding wegens schending van hoor en wederhoor en gebrek aan spoedeisend belang.

Conclusie

Zaaknr. C03/245HR
Mr. Huydecoper
Zitting van 17 september 2004
Conclusie inzake
1. [eiser 1]
2. [eiseres 2]
eisers tot cassatie
tegen
[verweerder]
verweerder in cassatie
Feiten(1) en procesverloop
1) De verweerder in cassatie, [verweerder], woont aan de [a-straat 2] in [woonplaats]. [eiser] c.s., de eisers tot cassatie, wonen daarnaast op [a-straat 1]. Het gaat om (aaneengebouwde) twee-onder-één-kap woningen. Kenmerkend voor de woningen is dat de parterre aan de achterzijde een woonlaag dieper is gesitueerd dan die aan de voorzijde(2).
2) [Eiser] c.s. hebben op 13 juni 2000 een bouwvergunning aangevraagd voor het aan de achterzijde van hun woning realiseren van een uitbouw, bestaande uit een garage met daarboven een serre alsmede een dakterras. Op 20 september 2000 is de bouwvergunning verleend. Daartegen is geen bezwaar aangetekend.
3) [Verweerder] heeft [eiser] c.s. verzocht de bouwwerkzaamheden achterwege te laten. [Eiser] c.s. hebben aan dat verzoek niet voldaan. Toen zij met de bouw een aanvang maakten, heeft [verweerder] [eiser] c.s. in kort geding gedagvaard en gevorderd - kort gezegd - dat het [eiser] c.s. verboden werd om een dakterras op te richten dat dichter dan twee meter van de erfgrens met de [a-straat 2] stond, en om een bouwwerk op te richten zoals omschreven in de bouwvergunning; en dat [eiser] c.s. zouden worden veroordeeld om de kosten van een in opdracht van [verweerder] uitgevoerde taxatie te betalen.
[Verweerder] heeft daarbij naar de bedoelde taxatie verwezen, en aangevoerd dat zijn woning bij uitvoering van de bouwplannen van [eiser] c.s. € 16.000,- minder waard zou worden.
4) De voorzieningenrechter heeft [eiser] c.s. verboden om een dakterras op te richten op minder dan twee meter afstand van de erfgrens, en de overige vorderingen afgewezen. De proceskosten werden gecompenseerd.
5) [Verweerder] ging in hoger beroep. Hij vorderde in appel - zoals voor de hand ligt: zonder bezwaar te maken tegen het in eerste aanleg toegewezen deel van zijn vorderingen - dat alsnog de overige in eerste aanleg gevorderde voorzieningen zouden worden toegewezen, althans dat [eiser] c.s. zouden worden veroordeeld om de aanbouw (voorzover gerealiseerd) weer te verwijderen; en (meer) subsidiair (zoals overigens ook in eerste aanleg subsidiair was gevorderd): "elke andere (...) in goede justitie te bepalen beslissing".
6) Het hof gelastte bij tussenarrest een plaatsopneming met comparitie van partijen. Het proces-verbaal van de plaatsopneming e.a. behoort tot de stukken. Daarbij bevinden zich foto's van de situatie ter plaatse.
7) Bij eindarrest (van 22 juli 2003) heeft het hof overwogen dat het, alle omstandigheden afwegend, voorshands van oordeel was dat [verweerder] een aanzienlijke hinder ondervindt van de door [eiser] c.s. gepleegde aanbouw, en dat het woongenot van [verweerder] hierdoor zodanig ernstig is verminderd, dat sprake is van een onrechtmatige daad van [eiser] c.s. jegens [verweerder].
Vervolgens overwoog het hof:
"8.4.1. [Verweerder] heeft - kort samengevat - primair gevorderd dat aan [eisers] zal worden verboden de aanbouw op te richten, subsidiair dat [eisers] zal worden veroordeeld de aanbouw af te breken, meer subsidiair een andere door het hof in goede justitie te bepalen beslissing.
8.4.2. Uit de vastgestelde feiten blijkt dat de primaire vordering niet kan worden toegewezen(3). In aanmerking genomen de wederzijdse belangen van partijen (...) is het hof voorshands van oordeel dat de subsidiaire vordering van [verweerder] evenmin kan worden toegewezen.
8.4.3. Meer subsidiair is door [verweerder] gevorderd een "andere door het hof in goede justitie te nemen beslissing". Gelet op het feit dat de onderhavige procedure een kort geding betreft, en ieder(e) door het hof te geven oordeel slechts voorlopig is, verstaat het hof onder genoemde gevorderde "beslissing" (naast de hierna in r.o. 8.4.5. te geven beslissing) ook de beslissing op een gevorderd voorschot op een eventuele in een bodemprocedure aan [verweerder] toe te wijzen schadevergoeding. Het hof oordeelt daarover voorshands als volgt. [Verweerder] heeft gesteld dat zijn schade door de aanbouw van [eisers] bestaat uit verminderd woongenot, alsmede uit waardedaling van zijn woning. Nu het hof voorshands van oordeel is dat [eisers] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [verweerder], is [eisers] aansprakelijk voor de door [verweerder] geleden en nog te lijden schade, en dient hij deze schade aan [verweerder] te vergoeden. Het hof begroot de schade die [verweerder] lijdt door het ondervonden en nog te ondervinden verminderd woongenot voorshands op € 10.000,-.
8.4.4. Ter zake de waardedaling van zijn woning heeft [verweerder] een taxatierapport overgelegd d.d. 21 maart 2002 waarin wordt geconcludeerd dat de realisatie van de aanbouw door [eisers] met zich zal brengen dat de woning van [verweerder] met € 16.000,- zal dalen. [Eisers] heeft dit taxatierapport niet gemotiveerd betwist, zodat deze waardedaling voorshands vast staat. Het hof is voorlopig van oordeel dat [eisers] de schade, bestaand uit de waardedaling van de woning van [verweerder] van € 16.000,- aan [verweerder] zal dienen te vergoeden.
8.4.5. In eerste aanleg heeft [verweerder] tevens vergoeding gevorderd van de kosten van de taxatie ter hoogte van € 595,-. Deze vordering kan tevens worden toegewezen.
(...)"
8) Het hof heeft het vonnis van de voorzieningenrechter (gedeeltelijk) vernietigd en [eiser] c.s. veroordeeld tot betaling aan [verweerder] van € 26.595,- ten titel van voorschot schadevergoeding, [eiser] c.s. opgedragen voor de afwerking van de aanbouw te zorgen en hen voorts veroordeeld in de kosten van de procedure in beide instanties.
9) Tegen het eindarrest zijn [eiser] c.s. tijdig(4) in cassatie gekomen. [Verweerder] is in cassatie niet verschenen. [Eiser] c.s. hebben hun standpunt schriftelijk laten toelichten.
Bespreking van het middel
10) Het middel laat zich eenvoudig samenvatten. Het voert aan dat het hof met de gegeven beslissing inzake (een voorschot op) schadevergoeding buiten het kader van de rechtsstrijd is getreden; althans dat geen recht is gedaan aan de eisen van een behoorlijk partijdebat (hierin klinkt, meen ik, (reeds) door dat het beginsel van hoor en wederhoor zou zijn veronachtzaamd) en dat [eiser] c.s. met een "verrassingsbeslissing" zijn geconfronteerd. Aansluitend klaagt het middel over miskenning van de maatstaven die in de rechtspraak zijn geformuleerd voor de (naar zijn aard: voorlopige) toewijzing van een geldvordering in kort geding.
11) Laat ik beginnen met de uitkomst van dossieronderzoek:
Over de vorderingen die het hof in appel heeft toegewezen hebben de partijen inhoudelijk in het geheel niets aangevoerd(5). Wel heeft [verweerder] de nodige nadruk gelegd op de waardedaling die zijn woning door de aanbouw van [eiser] c.s. zou ondergaan(6); maar er is geen enkele toespeling gemaakt op de mogelijkheid van een voorschot op schadevergoeding. In het verweer van [eiser] c.s. is aan die mogelijkheid dan ook geen woord gewijd - wat (ook) om de in alinea's 17 - 19 hierna te bespreken redenen begrijpelijk is.
[Eiser] c.s. hebben overigens geen bezwaar ingebracht tegen de door [verweerder] in beide instanties geformuleerde (meer) subsidiaire vordering, gericht op een "in goede justitie te bepalen" voorziening.
12) Men kan zich zonder veel moeite verplaatsen in de gedachtegang die, naar ik als bij uitstek waarschijnlijk aanneem, aan het bestreden arrest ten grondslag ligt: de partijen zijn het meest gebaat bij een uitspraak die, naar redelijke verwachting, het bestaande conflict tot een eind brengt en daarmee een vervolgprocedure overbodig maakt. Het hof meent over voldoende informatie te beschikken om die uitspraak te kunnen geven, en schat het zo in, dat de partijen zich daarbij zullen neerleggen. Een bij uitstek praktische benadering, die goed aansluit bij de met enige regelmaat (in verschillende varianten) te vernemen wens dat de rechter moet proberen, de "werkelijke" probleemsituatie van partijen op te lossen, en zich daar niet door formele beletselen van moet laten weerhouden(7). Ik voel voor die benadering ook veel sympathie; en ik zal hierna dan ook met enige spijt bespreken, waarom ik die benadering niettemin meen te moeten afwijzen.
13) Intussen denk ik inderdaad dat de door het hof gekozen benadering met enige beslistheid van de hand moet worden gewezen; en wel om redenen die alle gerubriceerd kunnen worden onder de trefwoorden "fair trial", en binnen die categorie weer onder de trefwoorden: "hoor en wederhoor".
14) Het beginsel dat bekend staat onder de aanduiding "hoor en wederhoor" wordt aangemerkt als een van de meest wezenlijke beginselen van het procesrecht (niet alleen van het burgerlijke procesrecht - maar juist in het burgerlijke procesrecht komt het beginsel regelmatig aan de orde)(8). Dat is ook alleszins begrijpelijk: het spreekt onmiddellijk aan, dat waar dit beginsel in relevante mate wordt veronachtzaamd, er ook geen sprake kan zijn van "fair trial".
Partijen moeten (dus) tijdig weten wat de in geding zijnde stellingen en de daarvoor aangevoerde onderbouwing zijn - anders kunnen zij onmogelijk het hunne daarover naar voren brengen, en worden zij dus in zoverre niet (voldoende) "gehoord". De rechter moet er ambtshalve op toezien dat partijen voldoende gelegenheid krijgen, zich op wat er wordt aangevoerd te beraden en zich daarover uit te laten(9).
15) (Vooral) daarom eist de wet dat de aanlegger in een geding duidelijk aangeeft wat de gronden zijn voor het verlangen dat hij aan de rechter wil voorleggen, én duidelijk aangeeft, waarin dat verlangen bestaat(10); maar geldt ook voor de verweerder dat die zijn stellingen, en de onderbouwing daarvoor, op voor de andere partij kenbare wijze én tijdig, aan de rechter moet voorleggen(11). (Vooral) daarom geldt dat de rechter geen acht mag slaan op gegevens die niet aan de gedingvoerende partijen bekend (kunnen) zijn(12). (Vooral) daarom geldt dat de rechter de procespartijen niet mag "verrassen" met een beslissing op een punt waarop zij in dat stadium niet bedacht hoefden te zijn(13), en geldt - à fortiori - dat de rechter zich niet mag begeven buiten het kader van de door partijen gevoerde rechtsstrijd en dat de rechter geen feiten in aanmerking mag nemen die niet door partijen aan hun vorderingen of verweren ten grondslag zijn gelegd(14).
16) De in deze zaak door het hof gegeven beslissing lijkt mij - hoezeer ik de bedoelingen die ik daarachter aanwezig vermoed ook respecteer - klaarblijkelijk met dit beginsel in strijd. Namens [verweerder] was weliswaar een aan de goede justitie van het hof overgelaten voorziening gevorderd - een vordering waarvan overigens betwijfeld kan worden of die kan gelden als voldoende "bepaald" om in het kader van een behoorlijk partijdebat toelaatbaar te zijn(15) - maar de gedingstukken bieden niet de minste houvast voor de veronderstelling dat ook een vordering tot toekenning van een voorschot op schadevergoeding hiermee bedoeld zou (kunnen) zijn; en om de in alinea's 17 - 19 te bespreken redenen waren er zwaarwegende aanwijzingen, dat dat (juist) niet bedoeld kon zijn. Van de kant van [eiser] is dan ook - en ik heb dat eerder gekwalificeerd als begrijpelijk - met geen woord op de mogelijkheid van een veroordeling tot betaling van een voorschot op schadevergoeding ingegaan(16). Bij die stand van zaken vind ik de basis om aan te nemen dat de onderhavige vordering (voldoende duidelijk) in de rechtsstrijd betrokken was, veel te smal(17).
De klachten van middelonderdeel 2, die ertoe strekken dat het hof zich buiten het kader van de rechtsstrijd heeft begeven en/of partijen met een "verrassingsbeslissing" heeft geconfronteerd, lijken mij daarom gegrond(18),(19).
17) Ik zie daartoe eens temeer reden, omdat het middel volgens mij ook met recht klaagt dat het hof de (jurisprudentiële) regels betreffende de toewijzing van voorschotten op geldvorderingen in kort geding heeft veronachtzaamd; en omdat het mij aannemelijk lijkt dat juist de uit die regels voortvloeiende beperkingen voor de partijen aanleiding (kunnen) zijn geweest om in dit kort geding niet nader over deze mogelijkheid met elkaar in debat te treden.
18) In de context van de onderhavige zaak lijkt mij vooral relevant, dat voor toewijzing van een (voorschot in verband met een) geldvordering in kort geding de eis wordt gesteld, dat blijkt van een spoedeisend belang dat deze bijzondere maatregel kan rechtvaardigen èn dat de rechter die een vordering van deze strekking toewijst ook moet laten blijken dat hij zich van dit vereiste rekenschap heeft gegeven(20).
19) Niet alleen was er in de onderhavige zaak niet gesteld dat [verweerder] een spoedeisend belang zou hebben bij toewijzing van een voorschot op schadevergoeding(21) - er was immers over deze vordering in het geheel niets aangevoerd -, het is ook op de voorhand (erg) weinig aannemelijk dat hier van een spoedeisend belang sprake kon zijn.
Al kan de aanwezigheid van een spoedeisend belang - misschien - ook in dit verband wel eens in de overigens gestelde feiten besloten liggen, zodat het niet nodig is daar afzonderlijk onderzoek naar te doen(22) - men kan toch, ook met goede wil, niet inzien dat dat in de omstandigheden van de onderhavige zaak het geval zou (kunnen) zijn. (Mede) daarom heb ik de veronderstelling geuit, dat partijen de kwestie van (voorschot op) schadevergoeding niet hebben aangesneden: zij hebben, naar in de rede ligt, wel begrepen dat aan de vereisten voor toewijzing niet gemakkelijk kon worden voldaan(23). Vandaar dat ik dit al een aantal malen "begrijpelijk" heb genoemd; en vandaar dat men goed kan inzien waarom (ook) aan de kant van [eiser] c.s. niet aan deze mogelijkheid is gedacht (of waarom, als daaraan gedacht is, die mogelijkheid als onaannemelijk van de hand is gewezen).
20) Aan de hand van deze beschouwingen beoordeel ik ook de klacht van onderdeel 3 van het middel als gegrond, voorzover die klaagt over het voorbijzien aan het vereiste van een (gemotiveerd oordeel over) spoedeisend belang(24); en acht ik de eerdere klachten, zoals ik al aanstipte, à fortiori aannemelijk.
Afdoening van de zaak
21) Wanneer de Hoge Raad tot dezelfde uitkomsten zou komen die ik hiervóór voor juist meende te moeten houden, schijnt mij toe dat de zaak zich voor afdoening ten principale leent: wat het hof over de in appel geformuleerde primaire vordering van [verweerder] heeft overwogen, laat slechts ruimte voor afwijzing daarvan; en ik zie, afgezien van de door het hof toegewezen vordering betreffende afwerking van de aanbouw van [eiser] c.s. (die in cassatie niet is bestreden) ook geen ruimte voor toewijzing van enige andere vordering op het voetspoor van het subsidiaire "in goede justitie"- petitum - wat betekent dat ook die vordering, voorzover nog niet beoordeeld, zou moeten worden afgewezen.
Bij die uitkomst geldt dat [verweerder] in appel een bescheiden deel van het gevorderde toegewezen kreeg (namelijk: de vordering tot het "afwerken" van de uitbouw, die het hof, naar ik aanneem, ook in het kader van "in goede justitie te nemen andere beslissingen" toewijsbaar heeft geoordeeld); dat zou aanleiding kunnen geven om, met toepassing van art. 421 Rv Pro., de kosten van de eerste aanleg en van het appel te compenseren. In cassatie ligt, bij de hiervóór voorgestelde afdoening, in de rede dat [verweerder] in de kosten wordt veroordeeld.
Conclusie
Ik concludeer dat het bestreden arrest zou moeten worden vernietigd voorzover [eiser] c.s. werden veroordeeld tot betaling van een voorschot op schadevergoeding van € 26.595,- en werden veroordeeld in de proceskosten van de beide feitelijke instanties; dat de Hoge Raad, de zaak ten principale afdoend, het in appel gevorderde, voorzover na de evenbedoelde vernietiging nog aan de orde, zou moeten afwijzen; dat de kosten in de feitelijke instanties zouden moeten worden gecompenseerd; en dat [verweerder] in de kosten in cassatie zou moeten worden veroordeeld.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
1 De voorzieningenrechter heeft in het in de eerste aanleg gewezen vonnis de feiten in rov. 2.1 - 2.3 vastgesteld. Het hof is in het bestreden arrest van deze feiten uitgegaan, zie rov. 4.1.1 - 4.1.3 van het tussenarrest van 17 december 2002.
2 De voorzieningenrechter merkt op dat dit vergelijkbaar is met woningen van het "drive-in"-type. Ik moet bekennen dat dat bij mij geen helder beeld van de bedoelde woningen oproept.
3 Het hof stelde vast dat de aanbouw al nagenoeg voltooid was (opmerking van mij, A-G).
4 Namelijk ruim binnen de termijn van 8 weken ingevolge art. 402 lid 2 Rv Pro jo. art. 339 lid 2 Rv Pro.
5 Uitgezonderd de vordering wegens taxatiekosten ad € 595,-. Dit bedrag werd in eerste aanleg gevorderd (en die vordering werd in die instantie afgewezen). In appel is dit gedeelte van het gevorderde niet meer expliciet aan de orde geweest.
6 Ik merk op dat [verweerder] de waardedaling op sommige plaatsen gelijk heeft gesteld aan de (op geld gewaardeerde) vermindering van het woongenot, zie de Memorie van Grieven, Toelichting op Grief 3, eerste (sub)alinea, aansluitend op de inleidende dagvaarding, alinea 9. Andere stellingen, zie bijvoorbeeld de pleitnota in eerste aanleg, alinea 1 op p. 2, lijken echter van een ander standpunt uit te gaan. Het hof heeft in het bestreden arrest verschil tussen de waarde-aantasting en de aantasting van het woongenot gemaakt.
7 Veel materiaal hierover bij Asser - Groen - Vranken - Tzankova, "Een nieuwe balans", 2003; zie bijvoorbeeld hoofdstuk 4 en nr. 6.2.
8 Van Mierlo - Bart, Parlementaire Geschiedenis (Rv.), 2002, p. 129; Stein - Rueb, Compendium van het burgerlijk procesrecht, 2003, p. 16; Hugenholtz - Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, 2002, p. 7 - 8; Snijders - Ynzonides - Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, 2002, p. 28 - 30; Haardt, Liber Amicorum J. Ronse, 1986, p. 31 e.v.
9 Zie voor een zeer "uitgesproken" uitspraak in die zin HR 29 november 2002, NJ 2004, 172 m.nt. HJS, rov. 3.5.1 - 3.6.3.
10 Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), Numann, art. 254, aant. 4; Burgerlijke Rechtsvordering (losbl., (oud)), Asser, art. 5, aant. 10; zie ook, t.a.p., art. 176, aant. 2; Stein - Rueb, Compendium van het burgerlijk procesrecht, 2003, nr. 5.8; Van Rossem - Cleveringa, Verklaring van het Nederlands Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 1972, p. 161 - 163; Star Busmann - Rutten - Ariëns, Hoofdstukken van Burgerlijke Rechtsvordering, 1972, nr. 182.
11 Art. 19 Rv Pro. (Vooral) daarom is de enkele verwijzing naar lijvige documenten (of zelfs hele dossiers), zonder daarbij duidelijk aan te geven wat de strekking daarvan is en waarop de aandacht van de wederpartij (en de rechter) gericht moet zijn, (ook van de kant van de verweerder) niet toelaatbaar, HR 15 juni 2001, rechtspraak.nl LJN nr. AB 2148, rov. 3.3; HR 8 januari 1999, NJ 1999, 342, rov. 3.3.4.
12 Illustraties leveren HR 25 oktober 2002, NJ 2002, 599, rov. 3.2 (een zaak betreffende de BOPZ; maar in de aangehaalde rov. verwijst de Hoge Raad expliciet naar de algemene regel van art. 19 Rv Pro.); HR 18 februari 1994, NJ 1994, 742 m.nt. HJS, rov. 3.4; HR 10 november 1989, NJ 1990, 111, rov. 3.2.
13 Zie voor gegevens Tjong Tjin Tai, NJB 2000, p. 259 e.v. en voor illustraties HR 9 juli 2004, rechtspraak.nl LJN nr. AO 7727, rov. 4.3.3 - 4.4.2 (zie ook rov. 4.6.5); HR 21 december 2001, NJ 2004, 34 m.nt. DA, rov. 3.4; HR 30 september 1994, NJ 1995, 45, rov. 3.5.3. Verdere vindplaatsen in alinea 6 van de conclusie van A-G Hartkamp voor HR 3 juni 1994, NJ 1997, 287 m.nt. CJHB.
14 Art. 24 Rv Pro.; Van Mierlo - Bart, Parlementaire Geschiedenis (Rv.), p. 160 - 162. Illustraties leveren HR 9 juli 2004, rechtspraak.nl LJN nr. AO 8709, rov. 3.5; HR 11 juni 2004, rechtspraak.nl LJN nr. AP 1349, rov. 3.3.2; HR 19 december 2003, NJ 2004, 185, rov. 3.3.2 en (van de andere kant benaderd) HR 3 oktober 2003, NJ 2004, 50, rov. 3.3; HR 29 september 1995, NJ 1996, 90, rov. 3.4.
15 Zie in dit verband Van Mierlo - Bart, Parlementaire Geschiedenis (Rv.), 2002, p. 161 - 162; zie ook, bijvoorbeeld, HR 5 december 2003, NJ 2004, 76, rov. 3.4.1 en 3.4.4. Dat de discussie hierover niet van vandaag of gisteren is, blijkt uit Van Rossem - Cleveringa, a.w. p. 179 (voetnoot 97).
16 Dat aan de kant van [eiser] c.s. argumenten zijn aan te voeren die voor een andere waardering van een eventuele schadevergoedingsverplichting pleiten, ligt wel in de rede (en het is niet aan mij om daarop in dit stadium vooruit te lopen - al kan ik wel verwijzen naar de in voetnoten 5 en 6 gemaakte opmerkingen). Beslissend is overigens niet of aannemelijk lijkt dat [eiser] c.s. over steekhoudende verweren beschikken - beslissend is, dat zij er een legitieme aanspraak op hebben, hun verweer naar voren te (kunnen) brengen. Dat geldt, wat mij betreft, ook in de onderhavige procedure in kort geding.
17 Ik meen dat dat ook bevestiging vindt in de rechtspraak van de Hoge Raad waarin wèl ruimte is aangenomen om niet volmaakt duidelijk geformuleerde vorderingen zinvol en met begrip te interpreteren. Voorbeelden daarvan zijn HR 5 januari 1996, NJ 1996, 449 m.nt. HER, rov. 3.5 en HR 15 november 1991, NJ 1992, 724 m.nt. HJS, rov. 3.3. De casusposities in die zaken boden zeer sterke aanknopingspunten voor het oordeel dat de andere partij de strekking van de "met begrip" uitgelegde vordering wèl moest hebben begrepen (en gold dan ook niet, dat die andere partij zich in haar verweer niet adequaat over die vorderingen had uitgelaten); in de onderhavige zaak geldt precies het omgekeerde.
18 In het eerder besprokene ligt besloten dat ik het niet eens ben met de gedachte dat de kort-geding rechter in het algemeen de vrijheid zou hebben om wezenlijk andere voorzieningen toe te wijzen dan gevorderd waren. Als dat - althans in veel gevallen - onverenigbaar is met de beginselen van hoor en wederhoor/fair trial, valt niet in te zien waarom dat in kort geding anders zou zijn (of waarom dat in deze context niet als beletsel zou mogen gelden). Dàt de kort geding rechter de hier door mij afgewezen vrijheid wèl zou hebben kan misschien worden "ingelezen" in Snijders - Ynzonides - Meijer, Nederlands Burgerlijk Procesrecht, 2002, nr. 339. Schenk - Blaauw, Het Kort Geding A, Algemeen deel, 2002, p. 131, spreken in dit verband van "een dilemma". Zie ook Gisolf c.s., "Kort geding en rechter", 1993, p. 69 en de daar aangehaalde vindplaatsen.
19 Voor de veroordeling tot betaling van de taxatiekosten van € 595,- liggen de kaarten iets anders, maar lijkt mij de uitkomst dezelfde: die vordering was, zoals ik al aanstipte, aanvankelijk wèl voldoende duidelijk naar voren gebracht; maar was, na de afwijzing in de eerste aanleg, in appel niet meer expliciet aan de orde gesteld. Daarom denk ik dat ook die vordering buiten de rechtsstrijd in appel lag, c.q. dat [eiser] c.s. er niet op geprepareerd hoefden te zijn dat die nog (zonder dat zij daarover nog werden gehoord) door het hof kon worden beoordeeld. Het in alinea's 17 - 19 te besprekene is voor die vordering geheel van overeenkomstige toepassing.
20 HR 30 juni 2000, NJ 2001, 389 m.nt. HJS, rov. 3.4.1 - 3.4.3; HR 14 april 2000, NJ 2000, 489 m.nt. DWFV, rov. 3.2 (met verwijzing naar eerdere rechtspraak); Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), Numann, Tweede Titel, Veertiende afdeling, aant. 4; Hugenholtz - Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, 2002, nr. 131; Snijders - Ynzonides - Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, 2002, nr. 336; Van Schendel in "Naar Ons voorlopig oordeel", 2001, p. 58 e.v.; Gisolf in "Kort geding en rechter", 1993, p. 76 - 78; afwijkend (nog): Asscher in "Onverwijlde Spoed", 1987, p. 43 e.v. (Dat het van de omstandigheden afhangt wat in dit verband aan motivering mag worden verlangd, wordt geïllustreerd door HR 28 mei 2004, rechtspraak.nl LJN nr. AP 0263, rov. 3.5.1 en 3.5.2.)
21 Wel te onderscheiden van de andere (wel) gevorderde maatregelen, zie opnieuw HR 14 april 2000, NJ 2000, 489 m.nt. DWFV, rov. 3.2.
22 Opnieuw: HR 28 mei 2004, rechtspraak.nl LJN nr. AP 0263, rov. 3.5.2.
23 Waarbij ik wel besef dat aan de kant van [verweerder] ook andere tactische redenen kunnen hebben bestaan, om dit punt niet naar voren te halen.
24 Waar dit onderdeel (tevens) klaagt over de vereisten dat de vordering voldoende aannemelijk moet zijn en dat het restitutierisico in aanmerking moet worden genomen, lijkt het mij niet gegrond. Over de gegrondheid van de vordering heeft het hof een gemotiveerd voorlopig oordeel uitgesproken; en het restitutierisico kon het hof in de omstandigheden van deze zaak geredelijk (en stilzwijgend) als verwaarloosbaar beoordelen.