ECLI:NL:PHR:2004:AR1797

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00156/04 E
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:12 ArbeidstijdenwetArt. 8 Verordening (EEG) nr. 3820/85Art. 249 EG-verdragArt. 93 GrondwetArt. 94 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak en geldboete bij overtreding Arbeidstijdenwet en directe werking EG-verordening

In deze zaak werd verdachte door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch vrijgesproken van een tenlastelegging, terwijl hij voor meerdere andere feiten wegens overtreding van voorschriften op grond van artikel 5:12, tweede lid van de Arbeidstijdenwet, werd veroordeeld tot geldboetes.

Namens verdachte werd cassatie ingesteld met het middel dat het Hof ten onrechte artikel 8 van Pro Verordening (EEG) nr. 3820/85 als wettelijk voorschrift had toegepast, omdat deze verordening niet bindend zou zijn krachtens artikel 93 van Pro de Grondwet.

De Hoge Raad overwoog dat EG-verordeningen krachtens artikel 249 EG Pro-verdrag rechtstreeks toepasselijk zijn in alle lidstaten zonder dat nationale omzetting of toepassing van artikel 93 en Pro 94 Grondwet vereist is. Dit betekent dat de verordening zonder nadere nationale maatregel geldt en toepassing ervan niet in strijd is met het legaliteitsbeginsel.

Het cassatiemiddel faalde derhalve en het beroep werd verworpen. Er werden geen gronden gevonden voor ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling en vrijspraak van het Hof blijven in stand.

Conclusie

Nr. 00156/04 E
Mr. Vellinga
Zitting: 7 september 2004
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch vrijgesproken van het haar bij inleidende dagvaarding onder 2 tenlastegelegde en voorts ter zake van 1, 3, 4 en 5 telkens wegens "overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 5:12, tweede lid van de Arbeidstijdenwet, begaan door een rechtspersoon" veroordeeld tot een geldboete van €1500,= voor feit 1 en tot drie maal een geldboete van €750,= voor de feiten 3, 4 en 5.
2. Namens verdachte heeft mr. Th.J.H.M. Linssen, advocaat te Tilburg, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte art. 8 van Pro de Verordening (EEG) nr 3820/85 als wettelijk voorschrift waarop de strafbaarheid berust heeft opgenomen, hoewel deze verordening niet een ieder kan verbinden als bedoeld in art. 93 Grondwet Pro.
4. Het middel miskent dat een verordening van de Europese Gemeenschappen op grond van art. 249 EG Pro-verdrag rechtstreeks werkt zonder tussenkomst van enig nationaal wettelijk voorschrift en buiten het systeem van artikel 93 en Pro 94 Grondwet om.(1) Van schending van het legaliteitsbeginsel, zoals gesteld, is dan ook geen sprake.
5. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoeld motivering.
6. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vgl. C.A.J.M. Kortmann, Constitutioneel recht, vierde druk, Kluwer, Deventer 2001, blz. 120-121.