ECLI:NL:PHR:2004:AQ8935

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 oktober 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00754/04
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 588 SvArt. 279 SvArt. 435 lid 1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid dagvaarding wegens onjuiste betekening aan buitenlandse verdachte

De verdachte, die op 29 februari 2000 naar Portugal was geëmigreerd, werd in hoger beroep gedagvaard. De dagvaarding werd niet aan zijn buitenlandse adres betekend, maar aan de griffier, omdat er geen bekend adres in Nederland was. Het hof oordeelde dat de dagvaarding overeenkomstig de wettelijke voorschriften was betekend.

De Procureur-Generaal betoogde echter dat uit stukken bleek dat justitie wel degelijk beschikte over een adres in Portugal, wat het hof niet had meegewogen. De Hoge Raad stelt vast dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is omdat het hof geen rekening hield met het bekende buitenlandse adres, terwijl de griffie dit wel had opgevraagd en ontvangen.

Daarom vernietigt de Hoge Raad het bestreden arrest en verklaart de appèldagvaarding nietig wegens niet-conforme betekening volgens artikel 588 Sv Pro.

Uitkomst: De dagvaarding is nietig verklaard wegens niet-conforme betekening aan verdachte in het buitenland.

Conclusie

Nr. 00754/04
Mr Jörg
Zitting 31 augustus 2004
Conclusie inzake:
[verzoeker=verdachte]
1. Verzoeker is door het gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 5 september 2003 wegens verscheidene belastingdelicten en valsheden veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf voorwaardelijk en een geldboete van € 45.000,-.
2. Namens verzoeker heeft mr M. van Stratum, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het tweede middel klaagt dat het hof het verzoek dat strekte tot aanhouding van de behandeling van de zaak teneinde alsnog een toereikende machtiging als bedoeld in art. 279 Sv Pro te verkrijgen ten onrechte heeft afgewezen.
4. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat in het bijzonder de overweging van het hof, inhoudende dat de verdachte overeenkomstig de wettelijke voorschriften is gedagvaard, onbegrijpelijk is aangezien justitie blijkens de zich in het dossier bevindende aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv, kennelijk wel over het Portugese adres van verzoeker beschikte.
5. Deze laatste klacht snijdt hout. Bij de stukken bevinden zich twee aktes van uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep.
De ene akte bevat het laatst bekende adres van verzoeker in [plaats A]. De dagvaarding is op 7 juli 2003 tevergeefs op dat adres aangeboden en er is een bericht van aankomst achtergelaten. Vervolgens is de dagvaarding geretourneerd toen deze niet werd afgehaald. Bij GBA-controle van 9 juli 2003 bleek dat verzoeker op 29 februari 2000 was geëmigreerd naar Portugal. Op het GBA-overzicht is met de hand bijgeschreven "adres onbekend". Op de verklaring uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, die kennelijk conform HR 8 juni 1999, NJ 1999, 617 is opgevraagd, staat enkel vermeld dat verzoeker naar Portugal is geëmigreerd. De dagvaarding is op 14 juli 2003 uitgereikt aan de griffier en per gewone brief verzonden naar het adres in [plaats A].
De andere akte betreft een uitreiking aan de griffier op 4 juli 2003, omdat van verzoeker geen vaste woon- of verblijfplaats bekend was.
Uit een tweetal VIPS-controles volgt dat verzoeker ten tijde van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep niet was gedetineerd.
6. Blijkens het proces-verbaal terechtzitting is het hof van oordeel dat verzoeker overeenkomstig de wettelijke voorschriften is gedagvaard. Het hof heeft, gelet op het feit dat in de verklaring uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens geen adres van verzoeker in Portugal staat vermeld, kennelijk geoordeeld dat er geen adres van verzoeker in Portugal bekend was.
7. Dit oordeel is gelet op het hiernavolgende niet begrijpelijk. Bij het uitreiken van de aanzegging aan verzoeker ingevolge art. 435, eerste lid, Sv heeft de griffie van de Hoge Raad aan de afdeling bevolking van de gemeente [plaats A] gevraagd of de adresgegevens van verzoeker in Portugal bekend waren en een verklaring uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens ontvangen met daarop met de hand bijgeschreven een adres in Portugal. Kennelijk is bij de gemeente een adres van verzoeker bekend. Waarom zulks niet bij de adresverificatie in hoger beroep ook het geval was, volgt niet uit enig stuk, zodat het oordeel van het hof dat verzoeker in hoger beroep overeenkomstig de wettelijke voorschriften is gedagvaard onbegrijpelijk is.
8. Het middel slaagt.
9. De overige middelen behoeven daarom mijns inziens geen bespreking meer.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot nietigverklaring van de appèldagvaarding.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG