ECLI:NL:PHR:2004:AQ8834
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest wegens onvoldoende mandatering vervolgingsbeslissing administratief juridisch medewerker
In deze zaak is de verdachte door het hof veroordeeld wegens dronken rijden. De verdediging stelde dat de inleidende dagvaarding nietig was omdat de vervolgingsbeslissing niet door een bevoegd persoon was genomen. Het hof verwierp dit verweer op basis van een mededeling van de advocaat-generaal dat een administratief juridisch medewerker van het parket de beslissing had genomen en daartoe gemandateerd zou zijn.
De Hoge Raad oordeelt echter dat uit de mededeling niet blijkt dat deze medewerker daadwerkelijk schriftelijk gemandateerd was conform art. 126 RO Pro. De functie van administratief juridisch medewerker wekt geen vermoeden van bevoegdheid tot het nemen van vervolgingsbeslissingen. Het hof had dit nader moeten onderzoeken, omdat een nietige vervolgingsbeslissing tot nietigheid van de dagvaarding leidt.
Daarnaast is geoordeeld dat het hof ten onrechte een getuigenverklaring uit eerste aanleg als bewijs heeft gebruikt in hoger beroep, terwijl deze verklaring niet op de terechtzitting in hoger beroep was afgelegd. Dit was een vormfout, maar de Hoge Raad achtte de belangen van de verdachte hierdoor niet geschaad.
Het eerste middel slaagt, het tweede faalt. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar een ander hof voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling wegens onvoldoende mandatering van de vervolgingsbeslissing.