ECLI:NL:PHR:2004:AP8365

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 september 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02857/03
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 359 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt taakstraf voor opzettelijk bezit van xtc-pillen ondanks zwaardere straf dan gevorderd

Verzoekster werd door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren wegens opzettelijk bezit van elf xtc-pillen, een middel vermeld op lijst I van de Opiumwet, in de periode mei tot september 2001.

De advocaat-generaal had een lichtere straf gevorderd dan het hof oplegde. Verzoekster stelde in cassatie dat het hof in strijd met art. 359, zevende lid Sv, niet had gemotiveerd waarom het een zwaardere straf oplegde dan gevorderd en dan in eerste aanleg was opgelegd.

De Hoge Raad oordeelt dat voor de toepassing van art. 359, zevende lid Sv beslissend is de kwalificatie van het strafbare feit en het strafmaximum, niet de concrete ernst zoals uit de bewezenverklaring blijkt. Het hof hoefde niet te motiveren waarom het een zwaardere straf oplegde dan gevorderd of dan in eerste aanleg was bepaald. Richtlijnen van het Openbaar Ministerie binden de rechter niet en hoeven niet gemotiveerd te worden gevolgd.

Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee de taakstraf van 100 uren gehandhaafd blijft.

Uitkomst: De taakstraf van 100 uren voor opzettelijk bezit van xtc-pillen wordt gehandhaafd.

Conclusie

Griffienr. 02857/03
Mr. Wortel
Zitting:29 juni 2004
Conclusie inzake:
[verzoekster=verdachte]
1. Namens verzoekster is cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarbij verzoekster - voor zover de zaak aan het oordeel van het Hof was onderworpen - wegens
"Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid onder C, van de Opiumwet (oud) gegeven verbod, meermalen gepleegd"
is veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 dagen hechtenis.
2. Namens verzoekster heeft mr. H.H.M. van Dijk, advocaat te 's-Hertogenbosch, één cassatiemiddel voorgesteld.
3. Daarin wordt er over geklaagd dat het Hof, in strijd met art. 359, zevende lid Sv, heeft nagelaten te motiveren waarom het een (relatief) zwaardere straf heeft opgelegd dan door de advocaat-generaal gevorderd; evenmin heeft gemotiveerd waarom het een (relatief) zwaardere straf heeft opgelegd dan in eerste aanleg is geschied, en voorts niet heeft gemotiveerd waarom een zwaardere straf is opgelegd dan voorgeschreven in de richtlijnen van het Openbaar Ministerie.
4. De klachten vloeien voort uit de omstandigheid dat de in eerste aanleg bereikte bewezenverklaring blijkens de gebezigde bewijsmiddelen betrekking had op 61 XTC-pillen, namelijk elf pillen die verzoekster in een handtasje bij zich droeg, en vijftig pillen die in een woning zijn aangetroffen, terwijl het Hof, wederom blijkens de gebezigde bewijsmiddelen, alleen het opzettelijk bezit van de elf XTC-pillen in het handtasje van verzoekster bewezen heeft geacht.
5. In hoger beroep is bewezenverklaard dat verzoekster
"op tijdstippen omstreeks de periode van 1 mei 2001 tot en met 9 september 2001 te Valkenswaard, in elk geval in Nederland, telkens opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid zogenaamde xtc-pillen, zijnde telkens een materiaal bevattende MDMA, zijnde die MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, danwel [lees: aangewezen] krachtens het tweede en derde lid van artikel 2 van Pro die wet."
6. Aldus is het feit ook in eerste aanleg bewezen verklaard, met dien verstande dat de Rechtbank bewezen achtte dat verzoekster "tezamen en in vereniging met een ander" een hoeveelheid XTC-pillen opzettelijk voorhanden heeft gehad.
7. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden opgemaakt dat de Rechtbank heeft aangenomen dat de elf pillen die verzoekster bij zich droeg afkomstig waren uit een hoeveelheid pillen (50 pillen op het moment van inbeslagneming) die zijn aangetroffen in de woning van zekere [medeverdachte]. Klaarblijkelijk heeft de Rechtbank geoordeeld dat verzoekster en [medeverdachte] als medeplegers de gehele hoeveelheid XTC-pillen (de elf pillen die verzoekster bij zich droeg en de 50 pillen die nog in de woning van [medeverdachte] aanwezig waren) opzettelijk aanwezig hebben gehad.
8. Het Hof heeft, blijkens de in hoger beroep bereikte bewezenverklaring en de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen, aangenomen dat verzoekster de elf XTC-pillen in haar handtasje opzettelijk aanwezig heeft gehad, maar kennelijk niet aannemelijk geacht dat verzoekster als medepleger verantwoordelijk is voor het bezit van de 50 pillen in de woning van [medeverdachte].
9. De Rechtbank heeft verzoekster dezelfde straf opgelegd die in hoger beroep is bepaald.
10. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het in eerste aanleg gewezen vonnis zou worden bevestigd.
11. Een dergelijk geval, dat zich hierdoor kenmerkt dat de strafoplegging berust op de wettelijke strafbaarstelling die ook naar luid van de eis van het Openbaar Ministerie toepasselijk is, doch de bewezenverklaring minder - voor de strafbaarheid van het bewezenverklaarde van belang zijnde - feiten omvat dan het Openbaar Ministerie bewezen acht, is niet aan te merken als het opleggen van een zwaardere straf in de zin van art. 359, zevende lid, Sv, vgl. HR 17 december 1991, LJN ZC8925.
12. De in hoger beroep rechtsprekende rechter is - behoudens bijzondere omstandigheden die zich in deze zaak niet hebben voorgedaan - niet gehouden te motiveren waarom hij een zwaardere straf oplegt dan in eerste aanleg is bepaald, vgl. HR NJ 2001, 297 en HR 27 januari 2004, LJN AN8240.
13. De richtlijnen en aanwijzingen van het Openbaar Ministerie, waarin is bepaald onder welke omstandigheden ter terechtzitting zal worden gedagvaard en welke straf - behoudens in die richtlijnen opgenomen voorbehouden - ter terechtzitting zal worden gevorderd zijn niet vastgesteld door een instantie die de bevoegdheid heeft rechters te binden wat betreft het gebruik dat zij maken van de hun door de wetgever gelaten ruimte. Daarom was het Hof niet gehouden zich aan de op het feit toepasselijke richtlijn of aanwijzing van het Openbaar Ministerie te conformeren, en evenmin verplicht te motiveren waarom het die richtlijn of aanwijzing niet heeft gevolgd.
14. Het middel faalt derhalve. Het leent zich voor afdoening met de in art. 81 RO Pro bedoelde korte motivering.
15. Gronden voor ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep..
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,