ECLI:NL:PHR:2004:AO9785
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over schutznorm en onrechtmatigheid huiszoeking bij derde
In deze zaak staat centraal de vraag of een verdachte zich kan beroepen op de onrechtmatigheid van een huiszoeking die is verricht in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek tegen een ander. De verdachte werd geconfronteerd met een huiszoeking in haar woning, die plaatsvond op basis van onjuiste informatie over de inschrijving van haar dochter. De verdediging stelde dat hierdoor het huisrecht van de verdachte was geschonden en dat het bewijs dat bij die huiszoeking was gevonden niet rechtmatig was verkregen.
Het hof verwierp dit verweer met het argument dat een eventuele onrechtmatigheid slechts relevant zou zijn in de strafzaak tegen de andere verdachte en niet jegens de verzoekster, omdat zij niet als verdachte in dat onderzoek was aangemerkt. De Hoge Raad stelt echter dat deze uitleg van het schutznormvereiste onjuist is. De Hoge Raad benadrukt dat het niet van belang is tegen wie het onderzoek is gericht, maar of het rechtens beschermde belang van de verdachte door het onrechtmatig handelen is geschaad.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie en Europese mensenrechtenrechtspraak, waaronder het EHRM-arrest Lambert tegen Frankrijk, die bevestigen dat een verdachte recht heeft op toetsing van de rechtmatigheid van opsporingshandelingen die zijn belangen raken, ook als die handelingen zijn verricht in een onderzoek tegen een ander.
Hoewel het hof ten onrechte niet de rechtmatigheid van de huiszoeking bij verzoekster heeft beoordeeld, leidt dit niet tot cassatie omdat het hof het verweer bij een inhoudelijke beoordeling ook had kunnen verwerpen. De Hoge Raad bevestigt dat de huiszoeking gelet op de omstandigheden gerechtvaardigd was en dat het aantreffen en inbeslagname van belastende stukken niet onrechtmatig was.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee het arrest van het hof, maar verduidelijkt de toepassing van het schutznormvereiste in situaties waarin opsporingshandelingen ook de belangen van derden raken.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof, waarbij het schutznormvereiste correct wordt toegepast.