ECLI:NL:PHR:2004:AO9077
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing partneralimentatie na echtscheiding ondanks verhuur vakantiewoning en werkuitbreiding
Na de echtscheiding van partijen heeft de vrouw verzocht om vaststelling van partneralimentatie. De rechtbank kende haar gedeeltelijk alimentatie toe, maar het hof wees dit verzoek in hoger beroep af. Het hof oordeelde dat van de vrouw redelijkerwijs verwacht mag worden dat zij inkomsten genereert uit de verhuur van een in mede-eigendom toebehorende vakantiewoning in Zwitserland, en dat zij haar werkuren kan uitbreiden van 15 naar 30 uur per week.
De vrouw stelde in cassatie dat het hof onjuiste aannames deed over de netto-opbrengsten uit verhuur en onvoldoende rekening hield met de werkelijke kosten en bezettingsgraad. Ook betoogde zij dat het hof onvoldoende motiveerde waarom zij haar werkuren moest uitbreiden, gezien haar zorg voor de kinderen. Daarnaast klaagde zij over het ontbreken van een motivering voor de terugwerkende kracht van de afwijzing van de alimentatie.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht rekening hield met redelijke netto-inkomsten uit verhuur, inclusief onderhoudskosten, en dat het oordeel van het hof begrijpelijk was gezien het partijdebat over de huurinkomsten. Het hof mocht verlangen dat de vrouw haar werkuren uitbreidt, mede gelet op de leeftijd van de kinderen, haar opleiding en werkervaring. De Hoge Raad verwierp de klacht over terugwerkende kracht omdat het hof binnen dezelfde procedurekolom oordeelde en geen ingangsdatum hoefde vast te stellen.
De conclusie van de procureur-generaal was dat het cassatieberoep niet tot vernietiging kan leiden. De Hoge Raad bevestigde hiermee het oordeel van het hof dat de vrouw geen recht heeft op partneralimentatie, omdat zij geacht wordt in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de afwijzing van het verzoek tot partneralimentatie omdat de vrouw geacht wordt in haar eigen levensonderhoud te voorzien.