ECLI:NL:PHR:2004:AO8709
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beëindiging alimentatieverplichting wegens samenwonen volgens artikel 1:160 BW
De zaak betreft een geschil over de beëindiging van de alimentatieverplichting van de man jegens zijn ex-echtgenote. De man stelde dat de vrouw sinds maart 1995 samenwoonde met een derde, wat volgens artikel 1:160 BW Pro leidt tot het einde van zijn alimentatieverplichting. De rechtbank wees het verzoek van de man af, omdat hij onvoldoende bewijs had geleverd dat sprake was van een duurzame affectieve relatie met gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging.
In hoger beroep vernietigde het hof het vonnis en oordeelde dat de vrouw de stellingen van de man onvoldoende had betwist, waardoor de alimentatieverplichting per 3 juli 2002 eindigde en de vrouw onverschuldigd betaalde alimentatie moest terugbetalen. De vrouw had echter wel degelijk gemotiveerd verweer gevoerd in eerste aanleg.
De Hoge Raad stelt vast dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door niet adequaat rekening te houden met het verweer van de vrouw en uitsluitend te steunen op de eerste aanleg. De cassatie wordt gegrond verklaard en de zaak wordt verwezen voor verdere behandeling en beslissing. De overige klachten behoeven geen behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.