ECLI:NL:PHR:2004:AO8708
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt draagkrachtberekening voor bijdrage kosten verzorging en opvoeding kinderen na echtscheiding
Partijen zijn gescheiden en hebben vier kinderen, waarvan twee centraal staan in dit geschil over de bijdrage in kosten van verzorging en opvoeding. De vrouw vordert dat de man vanaf januari 2002 een bedrag van EUR 185 per kind per maand betaalt. De man voert aan dat hij daartoe niet financieel in staat is.
De rechtbank wijst de vordering toe, maar het hof vermindert de bijdrage tot EUR 71 per kind per maand over de periode van januari tot september 2002 en stelt vast dat de man daarna geen draagkracht meer heeft. Het hof baseert zich op de aangifte inkomstenbelasting 2000 en het inkomen uit een eigen onderneming als taxichauffeur, alsmede op het salaris bij zijn nieuwe werkgever vanaf juli 2002. De leasekosten van de taxi worden slechts gedeeltelijk in aanmerking genomen.
De vrouw stelt cassatieberoep in en klaagt dat het hof onvoldoende rekening houdt met fiscale aanslagen en dat de draagkrachtberekening onjuist is. De Hoge Raad oordeelt dat het hof voldoende motivering heeft gegeven en dat feitelijke nova in cassatie niet zijn toegestaan. Het hof mocht uitgaan van de door de man overgelegde gegevens, waaronder de aangifte IB 2000, omdat hij onvoldoende inzicht heeft verschaft in zijn latere financiële situatie.
De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt het oordeel van het hof dat de man slechts een beperkte bijdrage kan betalen over de gestelde periode en daarna geen draagkracht meer heeft.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen en het oordeel van het hof bevestigd dat de man een beperkte bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding betaalt.