1 Als "betalend passagier".
2 Als procedure op verkorte termijn (!), zie aanvang pleitaantekeningen Woudsend, zitting van 8 februari 1985.
3 In het geding gebracht bij akte na deskundigenbericht - vermeerdering van eis van 20 mei 1994.
4 Vonnis van 2 juni 1995, rov. 5.
5 Krachtens art. VII lid 2 van de wet van 6 december 2001 tot herziening van het procesrecht in burgerlijke zaken etc., Stb. 580, moet de vraag in hoeverre cassatieberoep open staat, worden beoordeeld aan de hand van de regels van de sinds 1 januari 2002 geldende wet.
6 Daarnaast valt te wijzen op HR 10 oktober 2003, NJ 2003, 709, rov. 3.3; HR 31 januari 2003, NJ 2003, 656 en 657, in beide gevallen: rov. 3.2; HR 6 december 2002, NJ 2003, 62, rov. 3.3 en 3.4.
7 Het arrest bevestigt overigens wat andere rechtsbronnen over het onderwerp aangeven; zie bijvoorbeeld, naast de in de vorige voetnoot aangehaalde rechtspraak, Parlementaire Geschiedenis, Van Mierlo - Bart, p. 408 (art. 233, Nota naar aanleiding van het Verslag). Het arrest sluit ook aan bij wat onder het "oude" procesrecht op dit punt was beslist, zie HR 13 januari 1995, NJ 1995, 482, rov. 3; HR 7 december 1990, NJ 1992, 85 m.nt. HJS, rov. 3.5.3.
8 Bij dat "vastleggen" denk ik aan de jurisprudentie-regel die inhoudt dat de rechter, behoudens een smalle marge voor uitzonderingen, binnen dezelfde instantie niet mag terugkomen op stellig en zonder voorbehoud uitgesproken oordelen (zie bijvoorbeeld HR 1 mei 1998, NJ 1999, 563 m.nt. HJS, rov. 3.2 en 3.3, waarin zowel de regel als de marge voor uitzonderingen worden aangegeven). De hier bedoelde oordelen worden wel aangeduid als "(bindende) eindbeslissingen". Die kwalificatie heeft dus geen betekenis voor de vraag of de uitspraak waarin zo'n eindbeslissing is opgenomen, als tussen-uitspraak dan wel als einduitspraak heeft te gelden. Dat moet uitsluitend aan de hand van de in het dictum gegeven beslissingen worden beoordeeld.
9 De keuzemogelijkheid is er (nog) wel in die gevallen waarin de rechter een tussen-uitspraak doet en daarbij aangeeft dat partijen, in afwijking van het uitgangspunt van de wet, ervoor mogen kiezen om een rechtsmiddel aan te wenden. De keuzemogelijkheid is er ook bij beslissingen die ten dele als tussen-uitspraak, en voor een ander deel als einduitspraak zijn aan te merken (zgn. "deelvonnissen"), maar dan alleen voor het als tussen-uitspraak aan te merken deel van de beslissing, HR 7 december 1990, NJ 1992, 85 m.nt. HJS, rov. 3.5.6. Ik zie geen reden waarom deze onder het "oude" recht gevormde regel niet ook onder het huidige recht opgeld zou doen, zoals dat blijkens HR 23 januari 2004, RvdW 2004, 20, rov. 3.2 - 3.4 ook voor andere "oude" jurisprudentieregels over dit onderwerp het geval blijkt te zijn.
Volgens mij is voor (tussen-)uitspraken die gedeeltelijk (ook) een beslissing inzake voorlopige voorzieningen inhouden, nog niet duidelijk of de hier bedoelde keuzemogelijkheid bestaat; zie ook voetnoot 11 hierna.
10 Ook in dat geval kàn immers worden verdedigd dat het namens de desbetreffende partij gedane aanbod van bewijs "in feite is geweigerd" (ik ontleen die formulering aan p. 8, derde volle alinea, van de schriftelijke toelichting); zie ook Hammerstein, TCR 2000, p. 18. Het lijkt mij overigens weinig zinvol om (ook) zulke beslissingen als "incidenteel" te kwalificeren; zie ook Veegens - Korthals Altes - Groen, Cassatie in burgerlijke zaken (1989), nr. 58. Omdat de kwalificatie als "incidenteel" naar huidig procesrecht geen relevante gevolgen (meer) heeft, lijkt het mij intussen niet aangewezen dat ik hier dieper op inga. Ik merk nog op dat de hier bestreden gedachtegang de deur ook wijd open zet voor meningsverschil over de uitleg van beslissingen die het door Woudsend bedoelde "in feite weigeren" (al-dan-niet) zouden opleveren.
11 Uit HR 23 januari 2004, RvdW 2004, 20, rov. 3.2 blijkt, zoals al eerder aangestipt, dat naar het "nieuwe" procesrecht is blijven gelden dat van een uitspraak die gedeeltelijk als tussen-uitspraak en gedeeltelijk als einduitspraak moet worden aangemerkt, in zijn geheel beroep kan worden ingesteld (wat dan voor het "tussen-uitspraak"-gedeelte van de beslissing als een "tussentijds" beroep geldt).
Of dat ook zo is wanneer een vonnis gedeeltelijk als beslissing inzake voorlopige voorzieningen en gedeeltelijk als tussen-uitspraak over andere kwesties moet worden aangemerkt, is daarmee nog niet uitgemaakt: het ligt in de rede dat het verband tussen voorlopige voorzieningen en andere geschilpunten zelden dusdanig zal zijn, dat "opsplitsen" van het conflict in dat opzicht op bezwaren stuit; en juist vanwege die bezwaren is de zo-even bedoelde regel over beroep tegen "deel-uitspraken" door de Hoge Raad aanvaard. Dat verandert echter weer, wanneer men (overigens anders dan ik in alinea 20 hierna zal verdedigen), de categorie voorlopige voorzieningen zo ruim opvat als Woudsend het wil: bij die uitleg is er namelijk wèl een nauw verband (mogelijk) tussen de beslissing over een voorlopige voorziening, en de verdere geschilpunten. Om het concrete voorbeeld te nemen dat deze zaak oplevert: tussen de vraag of een deskundigenbericht moet worden ingewonnen en welke vragen daarin moeten worden voorgelegd enerzijds, en de vraag van de kosten en de bevoorschotting daarvoor anderzijds, bestaat een zodanig verband dat afzonderlijke beoordeling, zo al mogelijk, klaarblijkelijk onwenselijk is.
12 Onder vigeur van het "oude" procesrecht is in die zin geoordeeld bij HR 7 december 1990, NJ 1992, 85 m.nt. HJS, rov. 3.5.5. Nu het nieuwe procesrecht de ruimte voor tussentijds beroep beoogt te beperken in vergelijking met het "oude" recht, lijkt het mij ongerijmd om in het kader van de hier aan de orde zijnde (sub)regel opeens méér ruimte voor tussentijds beroep aanwezig te achten dan er volgens het "oude" recht was. Dus neem ik aan dat de "oude" subregel (ook) hier is blijven gelden.
13 Wat Woudsend verdedigt komt er immers op neer, dat haar grief zo mag worden gelezen dat daarin ook (alle denkbare) andere bezwaren tegen het beroepen vonnis als "stilzwijgend" verdisconteerd worden aangemerkt. Bij die benadering verliest een "grievenstelsel" zijn zin. De onmogelijke positie waarin de verweerder in appel door een dergelijke benadering komt te verkeren, dringt zich daarbij wel heel duidelijk op.
14 Ook hier doet zich voelen dat de namens Woudsend verdedigde opvatting de hoofdregel van het nieuwe procesrecht op dit punt, in belangrijke mate zou "uithollen"; en dat ook daarom onaannemelijk is dat die regel zo zou mogen worden uitgelegd. Ik voeg, ter vermijding van misverstand, toe dat voor de opvatting die ik hier als onaannemelijk kenschets (namelijk: dat een beslissing omtrent het voorschot voor deskundigen in dit varband als een voorlopige voorziening zou mogen worden aangemerkt) wel belangrijke steun bestaat: HR 30 juni 1995, NJ 1996, 200 m.nt. HJS, rov. 3.1 (zie ook nr. 5 van deze noot); Parlementaire Geschiedenis, Van Mierlo - Bart, p. 372 (Memorie van Toelichting bij art. 194 - 199) en p. 409 (Memorie van Toelichting bij art. 235). Het aangehaalde arrest werd echter gewezen naar aanleiding van een andere wettelijke regeling dan de huidige (en vóórdat voorstellen voor de huidige regeling aan de orde waren gesteld. Het enige tijd ná dit arrest ingediende wetsontwerp 24 651 voorzag in art. II G (en DD) nog in de mogelijkheid van "tussentijds" beroep van tussen-uitspraken). Het arrest berust dan ook op een wezenlijk andere afweging, dan in de context van de nieuwe wettelijke regeling aan de orde is. Ik denk dat dat rechtvaardigt, dat aan dit arrest in de "nieuwe" context geen doorslaggevende betekenis wordt toegekend.
15 Ik noem als voorbeelden, beslissingen dat bepaalde personen zelf voor de rechter moeten verschijnen (en daarvoor ver moeten reizen, aanzienlijke tolkenkosten moeten betalen e.d.); of dat bepaalde stukken of andere gegevens moeten worden overgelegd of getoond, dat cijfers (al dan niet geverifieerd door de accountant) moeten worden geproduceerd of dat boekenonderzoek moet worden uitgevoerd of toegelaten. Met zulke beslissingen kunnen aanzienlijke lasten, financieel of anderszins, voor de desbetreffende partij(en) gemoeid zijn; maar het voert veel te ver om, met het oog daarop, dan ruimte te bieden voor het argument dat het in het gegeven geval om een "voorlopige voorziening" gaat, zodat de regel betreffende (uitsluiting van) tussentijds beroep niet geldt.
16 Het gaat hier telkens om gegevens waarvan de uitleg en de verdere beoordeling binnen (zeer) ruime marges is voorbehouden aan de rechters van de feitelijke instanties. Daarbij komt nog dat de indruk die men zich bij beoordeling van de cassatiemiddelen op dit ogenblik van deze gegevens zou moeten vormen, noodzakelijkerwijs berust op een incompleet, nog in staat van wording verkerend dossier. Dat zou, wanneer het noodzakelijk zou zijn om zich dergelijke indrukken te vormen, reden zijn voor terughoudendheid. Het lijkt mij, nu het in dit geval niet strikt noodzakelijk is om dat te doen, een reden voor algehele abstinentie.
17 Zoals het in de Parlementaire Geschiedenis, Van Mierlo - Bart, p. 148 - 149 (Verslag bij art. 21) enigszins pathetisch wordt gezegd: "Men hoeft toch niet mee te werken aan zijn eigen (eventuele) ongelijk?". Zie over dit probleem o.a. Asser - Groen - Vranken - Tzankova, "Een nieuwe balans", 2003, p. 40 - 43 en p. 77 - 79; Adviescommissie voor het Burgerlijk Procesrecht (advies naar aanleiding van de zojuist genoemde publicatie), TCR 2004, p. 3 - 4; Advies NVvR werkgroep over dezelfde publicatie, Trema 2004, p. 94 - 95; Gras in "De toekomst van het Nederlands burgerlijk procesrecht", 2004, p. 167 - 191 (i.h.b. p. 186 - 189), met verdere verwijzingen; zie ook Snijders, "De toekomst van het Nederlands burgerlijk procesrecht 2004, p. 25 - 32 (ook kenbaar uit NJB 2003, p. 1696 e.v.).
18 Illustratief is in dit verband de passage uit de Parlementaire Geschiedenis, Van Mierlo - Bart, p. 153 (Memorie van Antwoord I bij art. 21), waarin - overigens zonder noemenswaardige onderbouwing - wordt gesteld dat de regel van dit wetsartikel niet meebrengt dat er een "disclosure"-verplichting bestaat, zoals die zich in (vooral) het Amerikaanse procesrecht heeft ontwikkeld.
19 Op dit punt meen ik in het cassatiemiddel (bijvoorbeeld in onderdeel 2.4.1) een misverstand te bespeuren, waar ervan uit lijkt te worden gegaan dat de rechter in het kader van het recht op "tegenbewijs" ruimte zou moeten bieden voor bewijslevering door een (partij)deskundigenonderzoek, of daarbij anderszins faciliërend zou moeten optreden. Het betreft hier, zoals ook bij andere vergelijkbare bewijsmiddelen het geval is (zie bijv. HR 19 maart 1999, NJ 1999, 496, rov. 3.6 en 3.7) materie die geheel aan het initiatief van de desbetreffende partij is overgelaten. Ofschoon niet uitgesloten is dat men geschillen daarover aan de rechter voorlegt (en bijvoorbeeld een oordeel uitlokt over de vraag in hoeverre de andere partij tot medewerking verplicht is), is het niet zo dat de rechter in dit verband tot een tegemoetkomende houding of tot andersoortige bevordering van het initiatief van de desbetreffende partij gehouden is. Die behoeft de goedkeuring van de rechter niet, maar kan ook, binnen ruime marges, niet van de rechter verlangen dat die zich met het door haar ontplooide (of aangekondigde) initiatief inlaat.
20 Zoals: de vraag aan hoeveel voorafgaand onderzoek de betrokkene(n) al eerder werd(en) blootgesteld, en hoe belastend dat (inmiddels) ten opzichte van de betrokkene(n) is; zie in dat verband ook de recente rechtspraak over het voorlopig deskundigenbericht. Ik noem als voorbeeld daarvan HR 19 december 2003, rechtspraak.nl LJN nr. AL 8610, rov. 3.4 - 3.5. Belangen die de afwijzing van een verzoek om een voorlopig deskundigenbericht kunnen rechtvaardigen kunnen allicht ook meebrengen dat er geen gehoudenheid bestaat om aan een partijdeskundigenonderzoek van dezelfde strekking mee te werken. Omgekeerd lijkt mij echter niet aannemelijk dat een verplichting tot medewerking altijd zou bestaan, als geen beroep op belangen van dien aard kan worden gedaan (de gedachte die in onderdeel 2.4.4 van het middel wordt geopperd). Zoals in alinea 30 besproken, lijkt mij daarvoor een aanzienlijk ruimer scala aan omstandigheden (mede)bepalend.
21 Volgens mij is dat dan ook gebeurd in de beslissing van Rb. Leeuwarden van 2 juni 1999, Medisch Contact 2000 p. 631 e.v., waarop namens Woudsend een beroep is gedaan.