ECLI:NL:PHR:2004:AO7418
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling alimentatieduur bij feitelijk gescheiden leven zonder scheiding van tafel en bed
In deze zaak stond centraal de vraag of de periode waarin partijen feitelijk gescheiden leefden zonder formele scheiding van tafel en bed in mindering kan worden gebracht op de wettelijke alimentatieduur van 12 jaar na echtscheiding. De man had verzocht om vermindering van zijn alimentatieverplichting met de periode van gescheiden leven, stellende dat de situatie materieel overeenkwam met een scheiding van tafel en bed en dat analoge toepassing van art. 1:169 lid 2 en Pro 182 BW gerechtvaardigd was.
De rechtbank en het hof hadden de alimentatieverplichting vastgesteld met ingang van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, waarbij het hof oordeelde dat de situatie van feitelijk gescheiden leven wezenlijk verschilde van een formele scheiding van tafel en bed. Het hof verwierp het verzoek tot verkorting van de alimentatieduur en oordeelde dat de man onvoldoende had gesteld om tot een beperking van zijn alimentatieverplichting te komen.
De Hoge Raad bevestigde dat de wettelijke alimentatieduur van 12 jaar niet automatisch wordt verminderd met de periode van feitelijk gescheiden leven zonder formele scheiding van tafel en bed. De analoge toepassing van de bepalingen omtrent scheiding van tafel en bed werd afgewezen vanwege het ontbreken van een objectief en eenduidig aanvangsmoment en het belang van rechtszekerheid. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat het hof voldoende had gemotiveerd waarom het verzoek tot beperking van de alimentatieverplichting werd afgewezen, mede gelet op de leeftijd van de vrouw en haar inspanningen om in eigen levensonderhoud te voorzien.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de alimentatieduur niet wordt verkort met de periode van feitelijk gescheiden leven zonder formele scheiding van tafel en bed.