ECLI:NL:PHR:2004:AO5026

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 maart 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01667/03
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 341 lid 4 SvArt. 10 lid 3 OpiumwetArt. 10 lid 4 OpiumwetArt. 10a lid 1 OpiumwetArt. 26 lid 1 Wet wapens en munitie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging bewezenverklaring en strafoplegging wegens onvoldoende bewijs opzet drugsvoorbereiding

In deze zaak werd verdachte door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch veroordeeld voor meerdere feiten, waaronder medeplichtigheid aan het medeplegen van een feit op grond van artikel 10 lid 3 van Pro de Opiumwet, het voorbereiden en bevorderen van drugsdelicten door het voorhanden hebben van voorwerpen bestemd voor die feiten.

Het hof baseerde de bewezenverklaring van het derde feit op verklaringen van verdachte zelf, zonder aanvullende bewijsmiddelen, wat volgens de Hoge Raad niet voldoet aan de eis van artikel 341 lid 4 Sv Pro dat het bewijs niet uitsluitend op de opgaven van verdachte mag berusten.

Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat de stempel bestemd was voor drugsfabricage, noch dat hij (voorwaardelijk) opzet had op het voorbereiden of bevorderen van drugsdelicten.

Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het het derde feit betreft en verwijst de zaak terug naar een ander gerechtshof voor hernieuwde berechting van dat onderdeel, met behoud van het overige oordeel.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor het derde feit wegens onvoldoende bewijs van opzet en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Conclusie

Nr. 01667/03
Mr. Machielse
Zitting 2 maart 2004
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Aan verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch bij arrest van 14 februari 2003 een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, en een gevangenisstraf van tien maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, opgelegd wegens 1. subsidiair "medeplichtigheid aan het medeplegen van een feit bedoeld in het derde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voorbereiden en/of bevorderen door voorwerpen en/of stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd", 2. "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, strafbaar gesteld bij artikel 55, derde lid, onder a van de Wet wapens en munitie" en "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid van de Wet wapens en munitie" en 3. "medeplegen van een feit, bedoeld in het derde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voorbereiden en/of bevorderen door een voorwerp voorhanden hebben, waarvan hij ernstige reden heeft om te vermoeden dat het bestemd is tot het plegen van dat feit".
2. Namens verdachte heeft mr. B.G.J. de Rooij, advocaat te Eindhoven, een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde feit niet, althans niet zonder nadere motivering, uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen.
4. Op de eerste plaats wordt hiertoe aangevoerd dat indien het Hof er van is uitgegaan dat de mislukte stempel het voorwerp was waar feit 3 op zag, het Hof heeft miskend dat juist doordat die stempel mislukt was, deze nooit gebruikt zou kunnen worden om drugsfeiten voor te bereiden of te bevorderen. Indien echter het Hof er van is uitgegaan dat feit 3 de tweede vervaardigde stempel betrof, dan heeft het Hof het bewijs dat verdachte feit 3 heeft begaan louter kunnen aannemen op de enkele opgave van verdachte dat er een tweede exemplaar is vervaardigd.
5. Gelet op de onder 3 bewezenverklaarde periode van 13 juni tot en met 18 juni 2001 ziet feit 3 op de tweede, in samenwerking met [betrokkene 2] vervaardigde, stempel. Dit volgt uit de tot het bewijs van het onder 3 bewezenverklaarde gebezigde bewijsmiddel 1: woensdag 13 juni 2001 was de tweede stempel klaar en heeft verdachte deze opgehaald bij [betrokkene 2]; en 18 juni 2001 heeft [betrokkene 1] vervolgens de stempel bij verdachte opgehaald.
6. Het middel is terecht voorgesteld. De bewezenverklaring van feit 3 berust enkel op twee verklaringen van verdachte tegenover verbalisanten afgelegd. Aldus is niet voldaan aan de eis van het vierde lid van art. 341 Sv Pro.(1)
7. Hoewel naar mijn mening dit onderdeel van het middel gegrond is en die bevinding reeds tot cassatie zal moeten leiden zal ik ook het tweede onderdeel van het middel bespreken.
8. Op de tweede plaats wordt in de toelichting op het middel aangevoerd dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat verdachte weet heeft gehad danwel ernstige reden had om te vermoeden dat het wat betreft de stempel ging om een voorwerp bedoeld ter voorbereiding of bevordering van drugsfeiten. Ten eerste blijkt uit de bewijsmiddelen niet dat de stempel daadwerkelijk bestemd was om te gebruiken bij het fabriceren van drugs -niet duidelijk is immers wie [betrokkene 1] is en of hij iets met drugs te maken had- en ten tweede blijkt niet uit de bewijsmiddelen dat verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat het om een stempel bedoeld voor het vervaardigen van drugs ging.
9. Uit de bewijsmiddelen volgt dat:
- verdachte via de broer van [medeverdachte] (medeverdachte van het onder 1 tenlastegelegde feit) ene [betrokkene 1] heeft leren kennen;
- deze [betrokkene 1] alleen in de zaak van verdachte verscheen en vroeg of verdachte een stempel kon namaken;
- deze [betrokkene 1] vertelde dat de stempel bedoeld was om norit te persen voor waterzuivering in koffieautomaten;
- verdachte hem wees op een code op de voorbeeldstempel en de mogelijkheid zo'n stempel te bestellen, doch [betrokkene 1] zei niet te weten waar hij dat kon;
- de eerste poging om de stempel na te maken mislukte;
- verdachte de tweede poging in samenwerking met [betrokkene 2] uitvoerde;
- [betrokkene 2] vroeg of de stempel bedoeld was om XTC-pillen mee te maken;
- verdachte meldde dat het voor het persen van Norit was;
- [betrokkene 1] de tweede stempel heeft opgehaald en daar fl. 850 voor heeft betaald.
10. Inderdaad blijkt nergens uitdrukkelijk uit dat [betrokkene 1] iets van doen zou hebben met drugs. De enkele omstandigheid dat hij een vriend is van de broer van [medeverdachte] en [medeverdachte], blijkens de bewezenverklaring van feit 1, wel iets van doen had met drugs, betekent nog niet dat [betrokkene 1] ook in de drugs zat. Wel zou een zekere achterdocht op zijn plaats zijn geweest, zeker na de vraag van [betrokkene 2] of de stempel voor het maken van XTC-pillen moest dienen.
11. Al met al volgt mijns inziens uit de hierboven onder 9 weergegeven omstandigheden niet dat verdachte ernstige reden had om te vermoeden dat de stempel bestemd was tot het plegen van een drugsdelict. Er was wellicht enige reden om iets te vermoeden, doch voor ernstige reden hadden er, naar ik meen, toch sterkere aanwijzingen moeten zijn.
12. Daar komt bij dat de parlementaire geschiedenis bij art. 10a lid 1 Opiumwet opzet bij de dader lijkt te eisen om de in art. 10 lid 3 en Pro 4 Opiumwet bedoelde misdrijven voor te bereiden of te bevorderen(2). Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt echter niet dat verdachte (voorwaardelijk) opzet zou hebben gehad om drugsdelicten voor te bereiden of te bevorderen.
13. Integendeel, in de onder 1 tot het bewijs van feit 3 gebezigde verklaring van verdachte merkt verdachte naar aanleiding van de verklaring van [betrokkene 1] dat de stempel bedoeld was om norit te persen voor waterzuivering in koffieautomaten:
"Nu heb ik daar geen verstand van, dus dat kon volgens mij wel kloppen"
en naar aanleiding van de vraag van [betrokkene 2] of de stempel bedoeld is voor het maken van XTC-pillen verklaart verdachte slechts:
"Ik heb toen gezegd dat mij was verteld dat het voor het persen van norit was"
14. Opzet, in welke vorm dan ook, valt hier mijns inziens niet uit af te leiden.
15. Hoe het ook zij, ik kan uit de tot het bewijs gebezigde verklaringen geen opzet van verdachte afleiden om een feit bedoeld in het derde of vierde lid van art. 10 voor Pro te bereiden of te bevorderen, ook niet in de voorwaardelijke vorm.
16. Ik acht het middel derhalve gegrond.
17. Gronden waarop Uw Raad de bestreden uitspraak ambtshalve zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor wat betreft de bewezenverklaring onder 3 en de strafoplegging, met verwijzing der zaak naar een aangrenzend gerechtshof, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1Vgl. HR 4 juli 2000, nr. 00921/99.
2 MvT bij TK, 1982-1983, 17 975, p.12/13, en de MvA p.10. Zie ook Rb Breda 4 mei 1988, NJ 1988, 803.