1 Zie de beschikking van het hof Den Haag van 25 oktober 2002, p. 1-2 en de beschikking van het hof Den Haag van 11 december 2002, p. 1-2.
2 Zie ook de beschikking van de rb. Den-Haag van 20 november 2001.
3 Zie het p.-v. van 9 oktober 2001, p. 5.
4 In een tezelfdertijd aanhangige voorlopige voorzieningenprocedure heeft de rechtbank bij beschikking van 6 december 2001 bepaald dat de man voorlopig een bedrag van ƒ 5.000,- per maand diende te verstrekken tot levensonderhoud van de vrouw.
5 In zijn op dezelfde dag gewezen beschikking heeft het hof de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen de uitgesproken echtscheiding alsmede ten aanzien van haar verzoek om alimentatie ten behoeve van de jongste dochter. Tegen deze beschikking heeft de vrouw - kennelijk - geen cassatieberoep ingesteld.
6 Het verzoekschrift tot cassatie is op 11 maart 2003 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen.
7 Bij brief van 19 juni 2003 heeft de cassatieadvocaat van de vrouw nog het proces-verbaal toegezonden van de mondelinge behandeling ter terechtzitting van de rechtbank op 9 oktober 2001, welk stuk voor haar geen aanleiding vormde nog inhoudelijke opmerkingen te maken.
8 Zie voor de strekking van deze bepaling Parl. Gesch. Burgerlijk procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 129-132.
9 JOL 2002, 638. Dit arrest is besproken door M.A.J.G. Janssen, JBPr 2003, 22 en D.M. Thierry, Adv.bl. 2003, p. 802 e.v. Zie over de problematiek rond het overleggen van producties mijn conclusie vóór dit arrest en recent A-G Timmerman in zijn conclusie van 24 oktober 2003 inzake C02/184HR (onder 4.11) met verdere gegevens.
10 Zie HR 28 juni 1996, NJ 1997, 495 m.nt. HJS; HR 4 april 1997, NJ 1998, 220 m.nt. HJS en HR 16 november 2001, NJ 2002, 401 m.nt. HJS en mijn conclusie vóór dat arrest onder 3.4.
11 Zie ook het verzoekschrift tot cassatie, p. 2, onder 1.1.
12 Zie mijn conclusie van 14 november 2003, R03/043HR (onder 2).
13 Zie P-G Berger in zijn conclusie vóór HR 24 december 1982, NJ 1983, 389, instemmend aangehaald door A-G Biegman-Hartogh in haar conclusie vóór HR 11 januari 1985, NJ 1985, 353 (onder 2) en later ook door A-G Bakels in zijn conclusie vóór HR 22 september 2000, NJ 2001, 228 m.nt. prof. mr. S.F.M. Wortmann (onder 2.14).
14 Recentelijk herhaald bij beschikking van 10 oktober 2003, R03/032HR, JOL 2003, 505.
15 Bijv. HR 10 december 1982, NJ 1983, 255; HR 17 juni 1983, NJ 1984, 35; HR 19 oktober 1984, NJ 1985, 152.
16 Zo werd onlangs een alimentatiebeschikking van het hof Den Haag vernietigd omdat tegen de achtergrond van de gegevens uit de gedingstukken niet duidelijk was op grond waarvan het hof had aangenomen dat de man arbeidsongeschikt was, nu 's hofs beroep op het verhandelde ter terechtzitting in het licht van het proces-verbaal zonder nadere motivering onvoldoende grondslag vormde voor het oordeel dat de arbeidsongeschiktheid als vaststaand kon worden aangenomen zonder nader bewijs door medische verklaringen of anderszins. Zie HR 3 oktober 2003, R01/054HR, JOL 2003, 476 (rov. 3.3.2).
17 HR 4 juni 1993, NJ 1993, 659.
18 Vaste rechtspraak. Zie HR 18 september 1987, NJ 1988, 112 en HR 10 oktober 2003, R03/032HR, JOL 2003, 505. Zie voorts Burgerlijke Rechtsvordering, Wesseling-van Gent, art. 30, aant. 3.
19 Zie bijv. HR 17 maart 2000, NJ 2000, 333 en mijn conclusie vóór deze beschikking met verdere verwijzingen.
20 HR 17 maart 2000, NJ 2000, 313. Zie ook HR 25 maart 1983, rekestnr. 6247, niet gepubliceerd waarover A-G Biegman-Hartogh vóór HR 17 juni 1983, NJ 1984, 35. Zie voorts HR 23 september 1983, NJ 1984, 90 (kopje).
21 Zie o.m. HR 24 december 1982, NJ 1983, 389; HR 11 december 1987, NJ 1988, 348; HR 23 januari 1998, NJ 1998, 365; HR 26 juni 1998, NJ 1998, 672 en HR 10 december 1999, NJ 2000, 4. Zie verder mijn conclusie vóór HR 17 maart 2000, NJ 2000, 333 (onder 2.3) met verdere verwijzingen.
22 Blijkens een aantekening van de zijde van de vrouw in het A-dossier is dit inkomensoverzicht "ter zitting overgelegd" waarbij kennelijk wordt gedoeld op de behandeling ter zitting van het hof op 25 oktober 2002.
23 Zie de beschikking van de rechtbank Den Haag van 20 november 2001 onder 5.3.1.
24 MvG onder punt 12, p. 5.
25 Zie de pleitaantekeningen van mr. Bruins onder punt 11. Zie ook het cassatieverzoekschrift onder 1.12.
26 De man heeft zich in deze procedure steeds op het standpunt gesteld dat het voor rekening en risico van de vrouw is wanneer zij in de (te) dure en (te) grote gezinswoning wil blijven en de vrouw over een aanzienlijk vermogen kan beschikken indien zij zou meewerken aan verkoop van de voormalig echtelijke woning. Zie zijn verweerschrift op appelschrift, tevens houdende incidenteel appel onder nr. 11. Zie ook de pleitnotities van zijn advocaat van 25 oktober 2002, p. 4 onder "Ad I.5".
27 Zie de middelonderdelen 2.4.1-2.4.2 en 2.6.2-2.6.3.
28 Zie de pleitaantekeningen van haar advocaat van 25 oktober 2002, onder punt 12.
29 In het principale hoger beroep richtte de vrouw grief V tegen rov. 5.3.3 (woonlasten), grief VI tegen rov. 5.3.5 (GEB/water/telefoon), grief VII tegen rov. 5.3.7 (levensverzekering), grief VIII tegen rov. 5.3.9 (persoonlijke kosten aan huishouden zoals kleding, vakantie e.d.), grief IX tegen rov. 5.3.13 (lidmaatschappen), grief X tegen rov. 5.3.15 (cursussen), grief XI tegen rov. 5.3.17 (post "onvoorzien") en grief XII tegen rov. 5.3.20 (behoefte van ƒ 8.500,-).