ECLI:NL:PHR:2004:AN9372

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 januari 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00617/03
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Wegenverkeerswet 1994Art. 81 ROArt. 101a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens roekeloos rijgedrag met zwaar lichamelijk letsel na kettingbotsing op snelweg

Verdachte werd veroordeeld wegens roekeloos rijgedrag op de Rijksweg A27 te Raamsdonksveer, waarbij hij met hoge snelheid en zonder noodzaak een Peugeot rechts inhaalde en vervolgens abrupt remde, wat leidde tot een kettingbotsing met meerdere voertuigen. Een inzittende van een van de betrokken voertuigen liep zwaar lichamelijk letsel op.

De verdediging voerde aan dat het remmen noodzakelijk was vanwege verkeersnoodzaak, veroorzaakt door lichtsignalen van de bestuurster van de Peugeot en een vermeende tik, en dat de Peugeot plotseling van rijbaan wisselde. Deze verweren werden door het hof en de Hoge Raad verworpen op basis van getuigenverklaringen en bewijsmiddelen die het roekeloze rijgedrag bevestigden.

Het hof legde aan verdachte een taakstraf, een voorwaardelijke gevangenisstraf en een rijontzegging op, evenals een schadevergoeding aan de benadeelde partij. De Hoge Raad concludeert dat de bewezenverklaring standhoudt en wijst het cassatieberoep af.

Uitkomst: Hoge Raad wijst cassatieberoep af en bevestigt veroordeling voor roekeloos rijgedrag met zware gevolgen.

Conclusie

Nr.00617/03
Mr. Jörg
Zitting 2 december 2003
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verzoeker is, na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 13 maart 2001, door het gerechtshof te Arnhem bij arrest van 8 mei 2002 wegens overtreding van art. 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht, veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte gedurende 180 uren, een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 582,67 en voor datzelfde bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door elf dagen hechtenis, in de gebruikelijke alternatieve modus.
2. Namens verzoeker heeft mr. R.B. Milo, advocaat te Tilburg, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel richt zich tegen de bewezenverklaring van roekeloos rijgedrag.
4. Ten laste van verzoeker is bewezenverklaard dat:
"hij op 10 december 1995 te Raamsdonksveer, gemeente Raamsdonk, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto) daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A27, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, rijdende met dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig over de linkerrijstrook van de door hem gevolgde rijbaan van die weg (terwijl het zicht ter plaatse tengevolge van mist 100 à 200 meter bedroeg) zeer kort te gaan en te blijven rijden achter een vóór hem over voornoemde rijstrook (in dezelfde richting als hij, verdachte) rijdend motorrijtuig (Peugeot), en (vervolgens) dat motorrijtuig (Peugeot) rechts in te halen en (vervolgens) (zeer) kort vóór dat motorrijtuig (Peugeot) het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig weer naar links te sturen en wederom genoemde linkerrijstrook te gaan berijden en vervolgens, terwijl hij zich met dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (zeer) kort vóór dat motorrijtuig (Peugeot) bevond, zonder noodzaak dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig af te remmen, waardoor een aanrijding is ontstaan tussen (de voorzijde van) dat motorrijtuig (Peugeot) en (de achterzijde van) dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig, mede waardoor een aanrijding is ontstaan tussen dat motorrijtuig (Peugeot) en een achter dat motorrijtuig (Peugeot) rijdend motorrijtuig en mede waardoor een aanrijding is ontstaan tussen laatstgenoemd motorrijtuig en een vierde op die weg rijdend motorrijtuig, van welke twee laatstgenoemde motorrijtuigen er één van het merk Opel en één van het merk Volkswagen was, waardoor een inzittende van laatstgenoemd motorrijtuig (Volkswagen) (genaamd [slachtoffer 1]) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht (te weten een aantal ribfracturen en een neusfractuur)."
5. Uit de toelichting op het middel blijkt dat volgens de steller van het middel sprake is van een dubbele Meer en Vaart-situatie die in de weg staat aan het aannemen van roekeloos rijgedrag. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen zouden de met de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid openlaten dat de door verzoeker ingezette inhaalmanoeuvre noodzakelijk zou zijn geweest aangezien de auto van het slachtoffer [slachtoffer 2] plotseling van rijbaan wisselde en vóór verzoeker op de linkerbaan kwam te rijden. Tevens zouden de bewijsmiddelen de met de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid openlaten dat de remactie van verzoeker zou zijn ingegeven door verkeersnoodzaak, doordat het slachtoffer [slachtoffer 2] lichtsignalen gaf en verzoeker een tik meende te horen. Blijkens de aan het proces-verbaal van de appèlzitting van 25 april 2002 gehechte pleitaantekeningen is dit ook ter terechtzitting betoogd.
6. Het hof heeft geen aanleiding gezien om in een bijzondere bewijsoverweging betoog van de raadsman te weerleggen. Dit betekent echter nog niet dat de bewezenverklaring op de genoemde punten een 'Meer en Vaart'-gat vertoont. Daarvan is immers slechts sprake wanneer de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen het verweer niet weerlegt (vgl. HR 16 november 1999, LJN: ZD3245).
7. Aan de stelling dat verzoeker genoodzaakt was om de voor hem rijdende Peugeot rechts in te halen omdat deze auto plotseling voor hem op de linkerrijstrook was gaan rijden, ontbreekt feitelijke grondslag, nu zij wordt weerlegd door de als bewijsmiddel 4 gebezigde verklaring van [getuige]. Deze reed ter plaatse op de rechterrijstrook en heeft gezien - zo verklaarde hij - dat de Peugeot, toen de manoeuvre van verzoeker plaatsvond, al een tijdje links reed en dat hij niet heeft gezien dat de Peugeot van baan veranderde.
8. Het verweer dat voor het afremmen verkeersnoodzaak bestond (bestaande uit een lichtsignaal van de bestuurster van de Peugeot en menen een tik te horen), zodat het afremmen niet roekeloos was, vindt eveneens zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen. Daaruit volgt:
- dat verdachte met grote snelheid de Peugeot van achteren naderde (bewijsmiddel 9),
- vlak achter de Peugeot reed (b.m. 6),
- zonder verkeersnoodzaak deze auto rechts inhaalde (3),
- met een snelheid van boven 120 kilometer per uur (4)
- vervolgens wederom zonder verkeersnoodzaak naar links reed (4)
- en daarbij de Peugeot sneed (3, 5)
- en daarna kort voor de Peugeot rijdend (4)
- onverwachts remde (3, 4, 7, 9).
Daardoor kon de bestuurster van de Peugeot verzoekers auto niet meer ontwijken en reed zij tegen hem aan. Zelfs al zou de bestuurster van de Peugeot lichtsignalen hebben gegeven en zou verzoeker een tik hebben gehoord, dan was dit nog geen reden om te remmen zoals verzoeker heeft gedaan, en zeker niet bij een snelheid van 120 kilometer per uur een halve tot twee meter vóór de Peugeot rijdend.
Dit rijgedrag is typisch dat van een wegpiraat. Dat een verzekeringsmaatschappij geen lust heeft in een dergelijk risico kan dan ook niet verbazen.
9. Uit het voorgaande volgt dat het bewezenverklaarde kan volgen uit de bewijsmiddelen. Het middel faalt derhalve en leent zich voor toepassing van art. 81 RO Pro.
10. Overigens heeft de steller van het middel de eerste keer dat deze zaak aan de Hoge Raad werd voorgelegd in praktisch identieke bewoordingen geklaagd over de bewezenverklaring. Destijds heeft de Hoge Raad die klacht met toepassing van het toenmalige art. 101a RO afgedaan en het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch op basis van een andere klacht vernietigd. Dat het ditmaal anders zal gaan is hoogst onwaarschijnlijk zodat ik benieuwd ben naar de motieven om ten tweede male cassatieberoep aan te tekenen en hetzelfde middel te formuleren.
11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG