5. In de onderhavige zaak gaat het om het volgende. Aan de verdachte zijn bij inleidende dagvaarding vijf feiten ten laste gelegd. De feiten 1 tot en met 4 zijn Opiumdelicten en feit 5 betreft een diefstal. In eerste aanleg oordeelde de Rechtbank dat ten aanzien van de feiten 1 tot en met 4 een aantal getuigen (waaronder twee politie-infiltranten) moest worden gehoord en heeft zij de oproeping van deze getuigen bevolen. Omdat de Officier van Justitie weigerde deze getuigen op te roepen, heeft de Rechtbank de Officier van Justitie bij vonnis van 30 augustus 2001 niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging ter zake van de feiten 1 tot en met 4. Dit vonnis houdt, voorzover hier van belang, het volgende in:
"3. De ontvankelijkheid van de officier van justitie
Namens de verdachte heeft de verdediging betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging wegens inbreuk op artikel 6, lid 3 van het Europees verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), nu de verdediging niet op adequate wijze in staat is gesteld politie-infiltranten te ondervragen.
De rechtbank overweegt hieromtrent:
Ter terechtzitting van 21 december heeft de rechtbank geoordeeld dat in deze zaak drie getuigen - één met name genoemde getuige en twee niet bij naam bekende getuigen, te weten de politieambtenaren A 1550 en A 1016 - dienden te worden gehoord en heeft de rechtbank oproeping van deze niet bij naam bekende getuigen bevolen tegen een nader te bepalen tijdstip op 1 maart 2001. De dag voor nadere behandeling is ongebruikt voorbijgegaan, waarop de zaak wederom op 12 juli 2001 heeft gediend.
Ter terechtzitting van 12 juli 2001 zijn de bedoelde niet bij naam bekende getuigen niet verschenen. De officier van justitie heeft ter terechtzitting de rechtbank verzocht de beslissing deze niet bij naam bekende getuigen ter openbare terechtzitting te horen, te heroverwegen en deze getuigen door de rechter-commissaris te doen horen, waarna deze getuigen, indien noodzakelijk, in een later stadium alsnog ter openbare terechtzitting zouden kunnen worden gehoord.
De rechtbank heeft alstoen onder meer beslist dat voor een heroverweging geen plaats was en dat bedoelde getuigen dienden te worden opgeroepen en ter openbare terechtzitting te worden gehoord, daarbij tevens aangevend dat dit verhoor zou plaatsvinden in een beveiligde zaal met alle waarborgen omkleed.
Ter terechtzitting van 17 augustus 2001 heeft de officier van justitie verklaard de niet bij naam bekende getuigen niet zonder voorafgaand verhoor door de rechter-commissaris te zullen oproepen.
De rechtbank vat de deze verklaring op als een weigering overeenkomstig artikel 349, lid 3 van het Wetboek van Strafvordering.
Deze weigering van de officier van justitie zal naar het oordeel van de rechtbank moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in haar vervolging terzake van de in de dagvaarding genoemde feiten 1 tot en met 4, nu beide niet bij naam bekende getuigen ingevolge de beslissing van de rechtbank van 8 december 2000 geen bedreigde getuigen in de zin van de artikelen 226a tot en met 226f van het wetboek van Strafvordering zijn.
De rechtbank is echter van oordeel dat de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging zich echter niet uitstrekt tot het de verdachte ten laste gelegde feit 5. Inzake het opsporingsonderzoek met betrekking tot dit feit is er geen gebruik gemaakt van politie-infiltranten, zodat voorgaande met betrekking tot de niet bij naam bekende getuigen gestelde niet geldt ten aanzien van het ten laste gelegde feit 5. De raadsman heeft ook niet bedoeld om bedoelde getuigen te doen oproepen teneinde hen vragen te stellen omtrent feiten en omstandigheden met betrekking tot dit feit. De officier van justitie is ontvankelijk in haar vervolging terzake van dit feit.