ECLI:NL:PHR:2004:AN8598
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hypotheekrente bij alimentatie na echtscheiding en boedelscheiding
In deze zaak verzocht de man wijziging van de alimentatie die hij aan de vrouw betaalde na hun echtscheiding. De rechtbank stelde de alimentatie aanzienlijk lager vast, waarbij rekening werd gehouden met de hypotheekrente die de man betaalde vanwege een derde hypotheek op de voormalige echtelijke woning. Deze hypotheek was genomen om de vrouw uit te betalen in het kader van de boedelscheiding.
De vrouw stelde bezwaar tegen het rekening houden met de volledige hypotheekrente, omdat zij vond dat zij anders mee zou betalen aan haar eigen alimentatie. Tijdens het hoger beroep werd dit bezwaar niet expliciet als grief aangevoerd. Het hof vernietigde de eerdere beschikking en stelde een nieuwe alimentatie vast, waarbij het rekening hield met de hypotheekrente tot het bedrag dat aan de vrouw was uitbetaald.
De vrouw stelde cassatie in tegen deze beslissing, stellende dat het hof haar stelling verkeerd had begrepen. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof de feiten en het verweer van de vrouw begrijpelijk had geïnterpreteerd en dat het hof niet onbegrijpelijk had geoordeeld dat slechts een deel van de hypotheekrente in aanmerking mocht worden genomen. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de beslissing van het hof.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen, het hof mocht rekening houden met de hypotheekrente tot het bedrag dat aan de vrouw was uitbetaald.