ECLI:NL:PHR:2004:AM2533
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van onrechtmatig verkregen bewijs bij doorzoeking en lostrekken afvoerpijp in woning
In deze zaak stond centraal de vraag of het lostrekken van een afvoerpijp in een kelder van een woning, die niet door de verdachte werd gebruikt of bewoond, kon worden aangemerkt als een doorzoeking in de zin van art. 359a Sv. De opsporingsambtenaren hadden in de woning een sterke marihuana- en hashgeur waargenomen en troffen diverse hoeveelheden verdovende middelen aan in verschillende ruimtes, waaronder een verborgen bergplaats achter een losgetrokken plastic afvoerpijp.
Het hof had geoordeeld dat het lostrekken van de pijp geen doorzoeking opleverde en dat er geen sprake was van een stelselmatig en gericht onderzoek. De verdachte voerde aan dat het bewijs onrechtmatig was verkregen door overschrijding van de bevoegdheden van de opsporingsambtenaren. De Hoge Raad formuleerde algemene regels over de toepassing van art. 359a Sv en stelde dat activiteiten die verder gaan dan 'zoekend rondkijken' als doorzoeking moeten worden aangemerkt.
De Hoge Raad oordeelde dat het lostrekken van de pijp wel degelijk een doorzoeking is, omdat het een bijzondere handeling betreft die toegang geeft tot een verborgen bergplaats. Echter, omdat de kelder niet door de verdachte werd gebruikt of bewoond, was de verdachte niet getroffen in het belang dat de norm beoogt te beschermen. De overschrijding van bevoegdheden was beperkt en het overige bewijs was rechtmatig verkregen. Daarom werd het cassatieberoep verworpen en het arrest van het hof bevestigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het bewijs is niet onrechtmatig verkregen ondanks het lostrekken van de afvoerpijp.