ECLI:NL:PHR:2004:AL8626
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van ambtshalve limitering van alimentatie en de stelplicht bij alimentatiebeëindiging
In deze zaak staat de vraag centraal of het hof terecht ambtshalve de alimentatieplicht van de man jegens de vrouw in de tijd heeft beperkt zonder dat daartoe een verzoek was gedaan. De vrouw was gehuwd met de man en na echtscheiding werd alimentatie vastgesteld. Het hof beperkte de alimentatie tot 1 juli 2005, waarna deze op nihil werd gesteld, mede gebaseerd op de verwachting dat de vrouw in de toekomst voldoende inkomen zou verwerven.
De Hoge Raad oordeelt dat art. 1:157 lid 3 BW Pro niet toestaat dat de rechter ambtshalve een termijn aan de alimentatie verbindt zonder een daartoe strekkend verzoek van een partij. Het hof heeft ten onrechte zonder verzoek de alimentatie beperkt, wat een verkeerde rechtsopvatting is. Daarnaast is geoordeeld dat het niet-uitkomen van de toekomstverwachting dat de vrouw zelfstandig in haar levensonderhoud kan voorzien, niet zonder meer een grond voor wijziging van de alimentatie is volgens art. 1:401 lid 2 BW Pro.
Verder benadrukt de Hoge Raad dat bij een verzoek tot beëindiging of beperking van alimentatie een strenge stelplicht en bewijslast geldt voor degene die de alimentatie wil laten eindigen. De alimentatieplichtige moet nauwkeurige gegevens stellen en bewijzen dat beëindiging gerechtvaardigd is. De beslissing van het hof wordt vernietigd voor zover de alimentatie vanaf 1 juli 2005 op nihil is gesteld, terwijl de rest van de beschikking wordt bekrachtigd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de ambtshalve limitering van alimentatie zonder verzoek en bekrachtigt de rest van de beschikking.