1 Met andere woorden: de vraag wanneer een verband van oorzaak en gevolg mag worden aangenomen.
2 Zie R.E.C.M. Niessen, Algemene en bijzondere bronkenmerken, WFR 1997/6227, blz. 3-11.
3 Voor een kort overzicht verwijs ik naar J.A.G. van der Geld, De herziene deelnemingsvrijstelling, Fiscale monografie nr. 20, Kluwer, Deventer, 1990, blz. 235-236 met de daarin opgenomen bronvermeldingen en naar L.G.M. Stevens, Inkomstenbelasting 2001, eerste druk, Kluwer, Deventer, 2001, nr. 94, blz. 89-90.
4 In het vervolg zal ik zowel de woorden 'toerekening' als 'causaliteit' gebruiken in het kader van de bepaling van het verband tussen lening en bron.
5 In deze conclusies ga ik niet nader in op de vraag of de kostenuitsluiting van art. 13, lid 1, Wet Vpb. 1969 mogelijk in strijd is met het Europese recht.
6 Tekst 1990. Na 1 januari 1997 zijn valutaresultaten bij de kostenaftrek mede onder de deelnemingsvrijstelling gebracht.
7 H.J. Hofstra, De NV, Financiering van aandelen met opgenomen gelden, mei 1944, blz. 38-40.
8 Annotatie bij HR 12 november 1952, BNB 1953/5.
9 Besluit van 1 september 1995, nr. WJB/994M, VN 1995/3420.
10 Ofwel historisch-causale methode.
11 Zie N.H. de Vries en R.J. de Vries, Cursus Belastingrecht (Vennootschapsbelasting), 2.4.5.B.c2, blz. 342 (e.v). Zie tevens D. Juch, W.C.M. Martens, De deelnemingsvrijstelling in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, Fiscale Brochures FED, Deventer, 7e druk 2002, blz. 88-89; J. Verburg, (Vennootschapsbelasting, Kluwer, Deventer, 2e druk, 2000, blz. 327) schrijft dat er na HR 19 december 1956, BNB 1957/37 enige ruimte is ontstaan voor een meer bedrijfseconomische benadering, aangezien in dit arrest werd erkend dat het verbreken van het oorspronkelijk historisch verband mogelijk was. Zie verder A.J. van Soest, (Belastingen, 21e druk, Gouda Quint, 2001, blz. 502), die aangeeft dat men zich - naar de onder het Besluit Vpb. 1942 ontstane jurisprudentie - in de eerste plaats dient te houden aan de historische methode. Eerst als men het verband tussen deelneming en lening niet meer kan vaststellen, dient men op de bedrijfseconomische methode over te gaan.
12 J.A.G. van der Geld, t.a.p., blz. 236-237.
13 De bepaling is op 28 april 1990 verwerkt in art. 13, lid 1, Wet Vpb. 1969.
14 Deze 'zesmaanden regel' is opgenomen om de bewijspositie van de fiscus te versterken; zie Tweede Nota van Wijziging, TK, vergaderjaar 1989/90, 19 968, nr. 13, blz. 7.
15 Zie ook D. Juch, W.C.M. Martens, t.a.p., blz. 82.
16 Besluit van 13 februari 1997, DB96/4135M, BNB 1997/127, blz. 980-985. Zie ook Fiscale Encyclopedie De Vakstudie, Vennootschapsbelasting onder redactie van H. Smit en B.D. Teunissen, artikelsgewijs commentaar, art. 13, aant. 121A, en B. Wagenaar, De ruimterekening, FED 1997/231, afl. 2651, blz. 901-906.
17 B. Wagenaar (t.a.p.) is om - onder andere - deze reden van mening dat "de ruimteregeling niet als een volwaardig alternatief systeem gezien kan worden".
18 Besluit van 11 september 1999, DB 99/2929M, BNB 1999/431, blz. 3545-3546.
19 Zie omtrent de historie van de rentevrijstelling, Fiscale Encyclopedie De Vakstudie, onder redactie van J.A.C.A. Overgaauw en H.B.A. Verhoeven, Wet Inkomstenbelasting 1964, artikelsgewijs commentaar art. 47a, Rentevrijstelling.
20 MvA, TK, vergaderjaar 1987/88, 20 223, nr. 6, blz. 1.
21 Art. 47a lid 4 (oud) Wet IB 1964; MvT, TK, vergaderjaar 1987/88, 20 223, nr. 3, blz. 4.
22 MvA, TK, vergaderjaar 1987/88, 20 223, nr. 6, blz. 9.
23 Wet van 13 december 1996, Wet aanpassing loon- en inkomstenbelasting c.a. 1997, Stb. 1996/655, en Wet van 13 december 1996, Wijziging van enige belastingwetten (herziening regime ter zake van winst uit aanmerkelijk belang, consumptieve rente en vermogensbelasting), Stb. 1996/652.
24 Tekst vanaf 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000.
25 Wet van 13 december 1996, Stb. 1996/652.
26 MvT, TK, vergaderjaar 1996/97, 24 761, nr. 3, blz. 82.
27 NV, TK, vergaderjaar 1996/97, 24 761, nr. 7, blz. 71.
28 Met inachtneming van het zogenaamde omvangs- en vergelijkingscriterium.
29 Dat een eigen woning een bron van inkomen vormt, is overigens expliciet door de staatssecretaris bevestigd in het besluit van 11 mei 1998, nr. DB 98/1978M, VN 1998/27.3, vraag C1.
30 Zie L.W. Sillevis, F.H. Lugt, Cursus Belastingrecht (Inkomstenbelasting), 3.6.6.b,c, blz. 86-88.
31 Wet van 13 december 1996, Wijziging van enige belastingwetten (herziening regime ter zake van winst uit aanmerkelijk belang, consumptieve rente en vermogensbelasting), Stb. 1996/652.
32 MvT, TK, vergaderjaar 1995/96, 24 761, nr. 3 , blz. 27-29.
33 MvA, EK, vergaderjaar 1996/1997, 24 761, nr. 62b, blz. 9-10.
34 NV, TK, vergaderjaar 1995/96, 24 761, nr. 7, blz. 37.
35 NV, TK, vergaderjaar 1995/96, 24 761, nr. 7, blz. 44-45.
36 Algemene financiële beschouwingen/ belastingwetten, EK 10, 10 december 1996, blz. 332. In de schriftelijke antwoorden (EK 11, 11 december 1996) worden deze opmerkingen niet nader behandeld.
37 Vóór 1997, was het onderscheid tussen aftrekbare kosten en persoonlijke verplichtingen relevant voor buitenlandse belastingplichtigen, die wel aftrekbare kosten konden aftrekken, maar geen persoonlijke verplichtingen. Dit arrest ziet, evenals BNB 1988/143, op een buitenlands belastingplichtige.
38 BNB 1977/190, met noot van Van Dijck, blz. 863.
39 BNB 1988/143, na conclusie Van Soest, met noot van P. den Boer.
40 Zie ook NV, TK, vergaderjaar 1996/97, 24 761, nr. 7, blz. 38.
41 HR 13 november 1991, BNB 1992/45, na conclusie Van Soest, met noot van P. den Boer, (FED 1992/643 met aantekening van R.L.H. IJzerman) betreft het beroep in cassatie van de verwijzingsuitspraak naar aanleiding van HR 15 juli 1987, FED 1988/768, met aantekening van E. Bos.
42 BNB 2002/361, met noot van R.E.C.M. Niessen. Zie tevens FED 2002/515 met aantekening van J. Bik.
43 Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam, 26 mei 2000, mondelinge uitspraak, nr. 99/00211, LJN-nummer AD3506, Hof Amsterdam 28 september 2001, mondelinge uitspraak, nr. 00/3639, LJN-nummer AD5080. Zie verder Hof Amsterdam, 7 juni 2002, mondelinge uitspraak, nr. 01/3518, LJN-nummer AE5688 en Hof 's-Hertogenbosch, 26 september 2002, mondelinge uitspraak, nr. 00/00106, LJN-nummer AF0946.
44 L.G.M. Stevens (Herbezinning op rente, Weekblad 1997/6235, blz. 316) merkt over BNB 1977/190 en BNB 1988/143 (cursivering ThG) op: "Bepalend voor de etikettering bleek de feitelijke en causale (mijn inziens in dit verband meestal finale) relatie tussen de rente en de vermogensbestanddelen." Zie ook Fiscale Encyclopedie De Vakstudie, t.a.p., artikelsgewijs commentaar art. 35, Aftrekbare kosten, aantekening 362, blz. 2007.
45 Zie daartoe ook de conclusie van A-G Van Soest, opgenomen in BNB 1988/143.
46 Besluit 11 mei 1998, nr. DB 98/1978M, VN 1998/27.3.
47 Besluit 11 mei 1998, t.a.p., onderdelen C.3 en C.5.
48 Besluit 11 mei 1998, t.a.p., Aantekening op vraag C.5.
49 H.J. Hofstra, L.G.M. Stevens, Inkomstenbelasting, Kluwer, Deventer, 1998, nr. 712, blz. 633.
50 Ik noem: A.C. Rijkers, Consumptieve rente, WFR 1996/1037; G.J.M.E. de Bont, Rente, regels en realisme. Verslag van de Belastingadviseursdag 1996, WFR 1996/737; T. Blokland, Herziening regime ter zake van winst uit aanmerkelijk belang, consumptieve rente en vermogensbelasting, WFR 1996/1004, J.Th.L. Brouwer, Consumptieve rente (1) en (3), FED 1996/768 en FED 1996/816; J.J.A. Knol en C.A. Goosen, Aftrekbaarheid van rente bij effectenfinanciering, WFR 1998/1050.
51 J.E.A.M. van Dijck, De rente-aftrek voor een hoofdverblijf, WFR 1981/5497, blz. 505-506.
52 J.E.A.M. van Dijck, Persoonlijke verplichtingen (zonder lijfrentepremie-aftrek), Fiscale Brochures, FED, Deventer, 1998, blz. 88-89.
53 MvT, TK, vergaderjaar 1995/96, 24 761, nr. 3, par. 3.3. Zie ook NV, TK, vergaderjaar 1995/96, 24761, nr. 7, blz. 37.
54 J.Th. Brouwer, Consumptieve rente (1), FED 1996 nr. 768, blz. 2741, onder 3.1.
55 J.A.G. van der Geld, t.a.p., blz. 236.
56 T. Blokland, Herziening regime ter zake van winst uit aanmerkelijk belang, consumptieve rente en vermogensbelasting, Weekblad 1996/6206, blz. 1022.
57 A.C. Rijkers, t.a.p., blz. 1046-1047.
58 HR 8 juni 1977, BNB 1977/190, blz. 855. Zie ook A.J. van Soest, Belastingen, 21e druk, Gouda Quint, 2001, blz. 502.
59 A.C. Rijkers, t.a.p., blz. 1046-1047.
60 J.E.A.M. van Dijck, Persoonlijke verplichtingen (zonder lijfrentepremie-aftrek), Fiscale Brochures, FED, Deventer, 1998, blz. 89.
61 Onder de Wet IB 2001 komen kosten die betrekking hebben op de financiering van de eigen woning in aftrek op basis van art. 3.120 IB 2001. Lid 1 sub a van dit artikel bepaalt dat renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen, die zijn aangegaan ter verwerving van de eigen woning als aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning worden aangemerkt. Art. 3.123 IB 2001 bepaalt dat tot de schulden die zijn aangegaan ter verwerving van de eigen woning gerekend worden schulden die zijn aangegaan voor verbetering of onderhoud van de woning voor zover de verbetering en het onderhoud met schriftelijke bescheiden zijn te staven.
62 Zie ook het commentaar van Hemels op de uitspraak van Hof Amsterdam 3 december 2002, nr. 01/03730, Nederlands Tijdschrift voor Fiscaal Recht, 20 februari 2003, blz. 20-21.
63 NNV, TK, vergaderjaar 1999-2000, 26 727, nr. 17, blz. 87-88, (VN BP21 2000/6.3). Zie ook NV, TK, vergaderjaar 1999-2000, 26 727, nr. 7, blz. 183-184.
64 NNV, TK, vergaderjaar 1999/2000, 26 727, nr. 17, blz. 86-87.
65 Zie tevens Belastingherziening 2001, mondeling wetgevend overleg 17 en 21 januari, VN BP 21 2000/7.2:
Op de vraag van Marijnissen (SP) of het bij schriftelijke bescheiden gaat om 'bonnetjes', antwoordde staatssecretaris Vermeend: "Als je je hypotheek verhoogt voor verbetering of onderhoud van de woning, moet je dat staven met bonnen." Op de vraag van Marijnissen (SP) wanneer de aftrek begint als het werk meer dan een jaar vergt, wordt geantwoord: "In het jaar waarin wordt betaald. Stel dat wij samen verbouwen. In jaar 1 hebben wij zoveel bonnen die betaald zijn. Dat bedrag is dan aftrekbaar. De verbouwing loopt in het jaar daarop door. Vervolgens hebben we in jaar 2 dus weer bonnen die betaald zijn. Dat wordt dan meegenomen in de belastingaangifte voor dat jaar. In feite kom je zo aan de hypotheekrenteaftrek (...) ".
66 NV, TK, vergaderjaar 1999/2000, 26 727, nr. 7, blz. 182.
67 NV, TK, vergaderjaar 1999/2000, 26 727, nr. 7, blz. 185.
68 NV, TK, vergaderjaar 1999-2000, 26 727, nr. 7, blz. 480. In een besluit van 25 augustus 2000, nr. CPP/1313M, VN BP21/13.2, vraag B.3.6.j., is aangegeven dat onder 'aangaan' niet alleen aangaan van nieuwe verplichtingen valt, maar ook het verhogen van een bestaande schuld door extra opnames en het 'rood staan' bij de bank.
69 MvT, TK, vergaderjaar 1995/96, 24 761, nr. 3, blz. 27-29 en MvA, EK, vergaderjaar 1995/1996, 24 761, nr. 62b, blz. 9.
70 Zie echter paragraaf 7.15, voor wat betreft de gevallen van 'post-financiering'.
71 Zie paragraaf 5.
72 A.C. Rijkers, t.a.p., blz. 1046-1047.
73 Zie voor wat betreft zaaknummer 38 540, rechtsoverweging 5.4, van 's Hofs uitspraak. Zie verder bijvoorbeeld Hof 's-Gravenhage, 9 oktober 1997, nr. 95/4302, VN 1998/11.10, waar de hypotheekverstrekking twee jaar na aankoop van de woning plaatsvond. Het Hof oordeelde dat de feiten en omstandigheden nauwelijks ruimte laten voor de mogelijkheid dat de hypothecaire lening aan belanghebbende was verstrekt in verband met de verwerving van de woning.
74 Zie verder HR 15 juli 1987, nr. 24 688, FED 1988/768, 1e overweging, waar de Hoge Raad heeft overwogen dat in het desbetreffende geval (financieringen in rekening-courant) het inzicht in de vraag waartoe de schulden zijn aangegaan slechts kon worden verkregen op grondslag van een chronologisch overzicht van alle posten die belanghebbendes schulden hebben beïnvloed. Met R.L.H. IJzerman (aantekening FED 1992/643), ben ik van mening dat toepassing van de historische methode, (in principe) een kwestie is van causaliteit en niet van chronologie.
75 Mondelinge uitspraak te vinden onder LJN-nummer AD5074.
76 Hof Amsterdam oordeelde dat een chronologisch verband niet in alle gevallen noodzakelijk is voor het historische verband tussen de bron en de rentekosten.
77 Zie MvT, TK, vergaderjaar 1995/96, 24 761, nr. 3, blz. 29.
78 A.C. Rijkers, t.a.p., blz. 1048-1049 schrijft: "een zinvolle interpretatie van de memorie van toelichting kan zijn, dat zich geen gewijzigde omstandigheden voordoen, zolang het functionele verband tussen lening en vermogensbestanddeel ongewijzigd blijft, ongeacht het waardeverloop van dat vermogensbestanddeel. Verduidelijking van de precieze bedoeling van de regering lijkt mij niettemin zinvol".
79 Zie NV, TK, vergaderjaar 1996/97, 24 761, nr. 7, blz. 39, "Wat betreft de vraag van de leden van de fracties van het CDA, de VVD en het GPV inzake de kwestie in welke gevallen in de sfeer van de rente-aftrek sprake is van oneigenlijk gebruik, merk ik het volgende op. Van oneigenlijk gebruik is mijns inziens sprake indien belastingplichtigen er, door het creëren van aftrekposten, op min of meer gekunstelde wijze toe overgaan hun belastbare inkomen (sterk) te reduceren, soms zelfs tot nihil."