ECLI:NL:PHR:2004:AF8839
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over aansprakelijkheid moedermaatschappij voor belastingschuld dochter op grond van onrechtmatige daad en Invorderingswet 1990
De zaak betreft de aansprakelijkheid van [eiseres], moedermaatschappij en voormalig bestuurder van D en R, voor een vennootschapsbelastingaanslag opgelegd aan D en R over 1995. Na verkoop van de aandelen en overdracht van activa door [eiseres] ontstond een belastingschuld die niet werd voldaan. De Ontvanger stelde [eiseres] aansprakelijk op grond van art. 40 Invorderingswet Pro 1990 en subsidiair op grond van onrechtmatige daad.
De rechtbank en het hof wezen de vordering toe, waarbij werd geoordeeld dat [eiseres] met de verkoop en overdracht de verhaalsmogelijkheid van de fiscus had gefrustreerd. In cassatie stond centraal of de Ontvanger tijdig had gedagvaard binnen de fatale termijn van twee maanden na betwisting van de aansprakelijkstelling en of die termijn ook geldt voor een civielrechtelijke vordering op grond van onrechtmatige daad.
De Hoge Raad bevestigt dat de termijn van twee maanden uit de Leidraad Invorderingswet 1990 niet geldt voor vorderingen uit onrechtmatige daad, omdat art. 40 Iw Pro 1990 en art. 6:162 BW Pro niet onder één noemer vallen en art. 40 niet Pro als lex specialis geldt. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat de formele rechtskracht van de belastingaanslag niet zonder meer kan worden tegengeworpen aan derden die geen mogelijkheid tot bezwaar of beroep hadden, en dat het geschil over de vervangingsreserve en fiscale eenheid nader onderzoek vergt. De zaak wordt vernietigd en verwezen voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak voor verdere behandeling naar een ander gerechtshof.