ECLI:NL:PHR:2003:AJ3230
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Formele rechtskracht van bestuursrechtelijke beschikkingen en burgerlijke rechterlijke toetsing in terugvordering uitkeringen
In deze zaak stond centraal of de burgerlijke rechter gebonden is aan de formele rechtskracht van bestuursrechtelijke beschikkingen van het LISV, nu eiser betwistte de beschikking van 6 maart 1995 te hebben ontvangen en bewijs wilde leveren over zijn dienstbetrekking.
Eiser had van de SFB uitkeringen ontvangen die later als onverschuldigd werden teruggevorderd. De bestuursrechter had de beschikkingen bevestigd en deze waren onherroepelijk geworden. Eiser stelde dat hij de beschikking niet had ontvangen en dat hem daardoor het recht op beroep was ontnomen, hetgeen een schending van art. 6 EVRM Pro zou zijn.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht aannam dat eiser de beschikking wel had ontvangen, mede gelet op verklaringen van zijn gemachtigde en het feit dat eiser geen beroep had ingesteld. Het ontbreken van een beroep en het niet benutten van procesmogelijkheden leidde tot formele rechtskracht van de beschikking. De burgerlijke rechter is gebonden aan deze formele rechtskracht en kan deze niet zonder meer toetsen, ook niet op grond van vermeende schendingen van het EVRM.
Het bewijsaanbod van eiser in de bestuursrechtelijke procedure werd niet gehonoreerd wegens procedurele tekortkomingen, maar dit rechtvaardigde geen heropening in de burgerlijke procedure. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de eerdere uitspraken.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en de formele rechtskracht van de bestuursrechtelijke beschikkingen blijft onverminderd van kracht.