ECLI:NL:PHR:2003:AI0276
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoofdelijke aansprakelijkheid voor loonbelasting- en premieschulden en verjaring van aanslagen
Deze zaak betreft de vraag of een aantal belastingaanslagen waarvoor eiser hoofdelijk aansprakelijk is gesteld, inmiddels is verjaard. De aanslagen betreffen loonbelasting en premieheffing volksverzekeringen over de jaren 1986 en 1987, opgelegd aan twee ondernemingen: het Agrarisch loonbedrijf betrokkene 1 en Las-, Constructie- en Montagebedrijf A B.V. (A).
Eiser heeft de aansprakelijkstellingen betwist en zich op verjaring beroepen. Het hof heeft geoordeeld dat de aanspraken op de meeste aanslagen niet verjaard zijn, behalve voor twee aanslagen van 10 juli 1990. Dit oordeel is gebaseerd op de stuitende werking van betekening van dwangbevelen en de schorsing van de verjaringstermijn door een verklaringsprocedure tegen een derde partij (B B.V.).
De Hoge Raad bevestigt dat de verjaringstermijn van drie jaar onder de oude Invorderingswet 1845 door de betekening van dwangbevelen en de daarop volgende gerechtelijke procedures is geschorst, waardoor de aanspraken niet zijn verjaard. Ook onder de Invorderingswet 1990 geldt een verjaringstermijn van vijf jaar die begint te lopen na de betekening van de laatste akte van vervolging. De Hoge Raad wijst het beroep van eiser af en bevestigt de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de loonbelasting- en premieschulden, met inachtneming van de lopende bezwaarprocedure over de hoogte van de aanslagen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt de hoofdelijke aansprakelijkheid van eiser voor de loonbelasting- en premieschulden, behalve voor twee verjaarde aanslagen.