4.2
Het hof heeft ter terechtzitting van 26 maart 2002 het onderzoek geschorst tot de terechtzitting van 11 juni 2002 te 9.30 uur, de oproeping van de verdachte bevolen en tevens diens medebrenging gelast.
Het is het hof ambtshalve bekend dat het adres Utrechtseweg 37 te Zeist het adres is waar de justitiële jeugdinrichting "Eikenstein" is gevestigd. Blijkens het GBA-overzicht d.d. 7 februari 2002 stond de verdachte voor de inschrijving op het adres Utrechtseweg 37 te Zeist ingeschreven op het adres [a-straat 1] te [plaats A]. Ook het voorlichtingsrapport strafzaken van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 16 november 2001 vermeldt als adres van de verdachte en zijn ouders [a-straat 1] te [plaats A].
De ouders van de verdachte zijn op 19 april 2002 per brief opgeroepen om de terechtzitting van 11 juni 2002 bij te wonen.
Blijkens de bijbehorende akte van uitreiking heeft de postbesteller op 24 april 2002 de oproeping voor de terechtzitting van 11 juni 2002 niet kunnen uitreiken omdat op het adres [a-straat 1] te [plaats A] niemand werd aangetroffen en heeft hij ter plaatse een bericht van aankomst achtergelaten. De akte van uitreiking is vervolgens op 3 mei 2002 teruggezonden aan het ressortsparket 's-Gravenhage. Blijkens aantekening op het GBA-overzicht d.d. 7 mei 2002 is aan de griffie door deze inrichting telefonisch meegedeeld dat de verdachte op 7 mei 2002 daar niet meer verbleef.
Blijkens de aan de akte van uitreiking gehechte mededeling van de afdeling bevolking van de gemeente Zeist was de verdachte op 24 april 2002 en tenminste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres Utrechtseweg 37 te Zeist ingeschreven. De oproeping voor de terechtzitting van 11 juni 2002 is op 7 mei 2002 als gewone brief verzonden naar het adres [a-straat 1] [plaats A]. De verdachte was toen niet gedetineerd.
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 11 juni 2002 medegedeeld dat de verdachte niet reageert op door hem naar het adres [a-straat 1] te [plaats A] gestuurde brieven en dat hij geen contact met de verdachte heeft kunnen krijgen.
Blijkens een faxbericht van de Politie Haaglanden is de politie op 11 juni 2002 ter uitvoering van het bevel tot medebrenging binnengetreden in de woning gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats A]. De verdachte is toen niet in de woning aangetroffen. Wel is de vader van de verdachte in de woning aangetroffen. Verdachte zou zich mogelijk bij zijn broer [medeverdachte] bevinden. Vader wist het adres niet precies, het zou in de buurt van [de b-straat] zijn. Op grond van het vorenstaande is het hof tot het oordeel gekomen dat thans geen reëel perspectief bestaat dat de verdachte binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting van het hof zal verschijnen en heeft het hof tegen de verdachte verstek verleend.
Het verzoek van de raadsman van de verdachte om de zaak ten tweeden male aan te houden heeft het hof dan ook afgewezen.
Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.
In de onderhavige zaak is de aanzegging hoger beroep aan de verdachte op 18 december 2000 in persoon uitgereikt. Vanaf dat moment mocht redelijkerwijs van de verdachte worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen zou nemen om te voorkomen dat de appèldagvaarding en de oproeping op een nadere terechtzitting te verschijnen hem niet zouden bereiken en dat de inhoud daarvan niet te zijner kennis zou komen.
Uit het feit dat de verdachte er niet voor heeft zorg gedragen dat de appèldagvaarding en de oproeping voor de nadere terechtzitting van 11 juni 2002 hem konden bereiken en hij aldus kennis kon nemen van de inhoud van die stukken en dat hij voor zijn raadsman - die hem ook in eerste aanleg heeft bijgestaan en uit eigen hoofde een afschrift van de appèldagvaarding en de oproeping voor de nadere terechtzitting van 11 juni 2002 heeft ontvangen - bereikbaar was opdat hij ook langs die weg van het tijdstip van de behandeling van zijn zaak op de hoogte zou hebben kunnen komen (zie ook HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317 r.o. 3.34), moet worden afgeleid dat de verdachte geen prijs stelt op berechting in zijn tegenwoordigheid en vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.
De raadsman van de verdachte heeft vervolgens verzocht het woord te mogen voeren, welk verzoek het hof heeft opgevat als een verzoek om de verdachte te mogen verdedigen, hoewel de raadsman meedeelde daartoe niet uitdrukkelijk door de verdachte te zijn gemachtigd. Als argumenten heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte minderjarig is en dat hij door de voorzitter van dit hof aan de verdachte is toegevoegd.