ECLI:NL:PHR:2003:AH9954

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 september 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01499/02 H
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 lid 2 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigenArt. 34 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigenArt. 457 Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad wijst herzieningsverzoek wegens niet-verzekerd motorrijtuig af

De aanvrager werd bij verstek veroordeeld door de Kantonrechter te 's-Hertogenbosch wegens het rijden zonder verplichte motorrijtuigverzekering op 23 augustus 2000. Hij verzocht om herziening op grond van een verklaring van de verzekeringsmaatschappij dat het voertuig wel verzekerd zou zijn geweest gedurende die periode.

Uit nader onderzoek bleek echter dat het voertuig op de pleegdatum niet verzekerd was, omdat de premie niet was voldaan en de verzekering was opgezegd bij de RDW. De verklaring van de verzekeraar was op basis van een verkeerde aanname afgegeven, namelijk dat sprake was van een foutieve incasso, terwijl de aanvrager zelf toegaf de premie niet betaald te hebben.

De Hoge Raad oordeelde dat deze verklaring niet tot een ernstig vermoeden leidt dat de oorspronkelijke veroordeling onjuist was en wees het herzieningsverzoek af. De strafrechtelijke veroordeling wegens het niet verzekerd rijden bleef daarmee in stand.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt ongegrond verklaard en de veroordeling wegens rijden zonder verzekering blijft in stand.

Conclusie

Mr. Fokkens
Nr. 01499/02 H
Zitting 1 juli 2003
Conclusie inzake:
[aanvrager]
1. Aanvrager van herziening is bij vonnis van de Kantonrechter te 's-Hertogenbosch van 4 januari 2002 bij verstek veroordeeld wegens overtreding van artikel 30 lid 2 van Pro de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen tot twee weken hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden.
2. Namens aanvrager heeft mr. M.J.C. Zuurbier, advocaat te 's-Hertogenbosch, op 19 juni 2002 een herzieningsverzoek ingediend.
3. De aanvrage steunt op de stelling dat er sprake is van oms
4. Omstandigheden als bedoeld in artikel 457, eerste lid, aanhef en onder 2, Sv aangezien de auto, voorzien van het kenteken [AA-00-AA], op de bewezenverklaarde pleegdatum 23 augustus 2000 wél verzekerd was overeenkomstig de WAM, althans dat aanvrager op 26 april 2002 van zijn verzekeringsmaatschappij, te weten AEGON Schadeverzekering N.V., vernam dat hij gedurende de ten laste gelegde en bewezenverklaarde periode wel degelijk verzekerd was krachtens de WAM. Als bewijs is als bijlage bij de aanvrage een verklaring ingevolge artikel 34 WAM Pro overgelegd van 26 april 2002 inhoudende "Ter voldoening aan het gestelde in artikel 34, lid 2, van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM) verklaart AEGON Schadeverzekering N.V. (...) dat van 30-06-2000 tot 10-09-2001 voor het motorrijtuig voorzien van het kenteken [AA-00-AA] een verzekering van kracht was welke aan de op die datum door of krachtens de WAM gestelde eisen voldeed, afgesloten onder polisnummer [...] en dat het CRWAM, voorzover noodzakelijk, is aangevuld dan wel gecorrigeerd".
5. Opvallend is echter dat aanvrager er zelf blijkbaar van uitging dat hij op 23 augustus 2000 niet verzekerd was. In het proces-verbaal opgemaakt naar aanleiding van de geconstateerde overtreding, proces-verbaal nr. 1-20102000-0139 A van 13 maart 2001 opgemaakt op ambtsbelofte door de verbalisant T. Meijering, verklaart aanvrager het volgende:
"Ik dacht dat deze auto verzekerd was op 23 augustus 2000. Achteraf kwam ik er achter dat deze auto niet verzekerd was omdat er tijdens mijn ziekte een nota betreffende de verzekeringspremie te laat voldaan is. Ik wacht bericht van Justitie af."
Ook in het bij de aanvrage tot herziening als bijlage overgelegde gratieverzoek wordt er van uit gegaan dat aanvrager niet verzekerd was. Daarin wordt immers aangevoerd:
"Verzoeker heeft door zijn drukke werkzaamheden verzuimd de aansprakelijkheidsverzekering voor bovengenoemde auto te betalen. Nadat verzoeker had vernomen dat hij in verzuim was met de betaling van de verzekeringspremie heeft hij er direct voor zorggedragen dat de verzekeringspremie vervolgens automatisch ook werd betaald."
Voorts bevindt zich tussen de stukken een brief van aanvrager van 31-01-2002 aan het arrondissementsparket 's-Hertogenbosch inhoudende onder meer:
"Ik heb omstreeks 23 aug 2000 in een van mijn auto's gereden echter door een administratieve fout van mij geen verzekering betaald. Om dit in het vervolg te voorkomen is mijn tussenpersoon nu gemachtigd om de bedragen maandelijks aut. af te schrijven. Door druk werk en ziekte (...) is de acceptgiro met de bijbehorende papieren verkeerd bij mij terecht gekomen en na een telefoon van mijn tussenpersoon heb ik de fout gelijk goedgemaakt."
6. Het voorgaande wordt ook gestaafd door de uitdraai van de RDW, gehecht aan eerdergenoemd proces-verbaal, waaruit blijkt dat de auto van 30-06-2000 tot 10-08-2000 verzekerd was en vervolgens weer van 20-10-2000 tot 10-12-2000. Pas toen de premie voldaan was is de verzekering kennelijk weer gaan lopen.
7. Gelet op het bovenstaande heb ik nader onderzoek laten doen naar de gang van zaken rond de verzekering van het voertuig met kenteken [AA-00-AA] op 23 augustus 2000.
8. Dit nader onderzoek heeft geresulteerd in een schrijven van de Hoofdofficier van Justitie te 's-Hertogenbosch mr. R.W.M. Craemer. Uit dit schrijven blijkt dat de verzekeringsmaatschappij voornoemd voertuig op 10 augustus 2000 heeft afgemeld bij de RDW omdat de betalingstermijn van vier weken voor het betalen van de verplichte verzekeringspremie onverbruikt was verstreken. Vervolgens is het voertuig op 20 oktober 2000 weer aangemeld bij de RDW.
Op de pleegdatum 23 augustus 2002 was het voertuig derhalve niet verzekerd. Dit strookt ook met de hierboven onder 4 weergegeven informatie die aanvrager hier zelf over heeft verstrekt.
9. Dat de verzekeringsmaatschappij desalniettemin een art. 34 WAM Pro-verklaring heeft afgegeven komt voort uit haar abusieve aanname dat er sprake was geweest van een foutieve incasso. Uit hetgeen de aanvrager hier zelf over heeft verklaard blijkt echter dat van een foutieve incasso geen sprake was, doch dat hij gewoon is vergeten de premie te voldoen. De art. 34 WAM Pro-verklaring is derhalve ten onrechte afgegeven.
10. In het licht van het voorgaande kan de overgelegde artikel 34 WAM Pro-verklaring niet het ernstig vermoeden doen ontstaan dat de Kantonrechter, indien hij met de inhoud daarvan bekend zou zijn geweest, aanvrager van het hem tenlastegelegde zou hebben vrijgesproken.
11. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvrage ongegrond zal verklaren.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv.