ECLI:NL:PHR:2003:AH9168
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over het vestigen van een erfdienstbaarheid in een notariële akte uit 1909
De zaak betreft een geschil tussen buren over het recht van overpad op grond van een notariële akte uit 1909. Eiseres stelt dat zij een erfdienstbaarheid van wegenis heeft, gevestigd bij die akte, terwijl verweerster betoogt dat het slechts een persoonlijk recht betreft. De Rechtbank oordeelde aanvankelijk dat sprake was van een erfdienstbaarheid, maar het Hof stelde bij tussenarrest dat geen zakelijk recht van erfdienstbaarheid was gevestigd, mede omdat het woord 'erfdienstbaarheid' niet werd gebruikt en er geen inschrijving in het kadaster plaatsvond.
Het Hof overwoog dat de uitleg van de zakelijke overeenkomst in de akte moet uitgaan van de in de akte opgenomen bewoordingen en dat de partijbedoeling objectief moet worden afgeleid. Het Hof wees ook het beroep op verkrijgende verjaring af. De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het Hof en wijst het cassatieberoep af. De Hoge Raad benadrukt dat het bij de vestiging van een erfdienstbaarheid gaat om een kwalitatief bepaald recht dat verbonden is aan onroerende zaken, en dat de akte en de inschrijving in de openbare registers dit moeten weerspiegelen.
De Hoge Raad overweegt dat het ontbreken van het woord 'erfdienstbaarheid' en het ontbreken van een inschrijving in de registers, samen met de formulering in de akte, leiden tot de conclusie dat slechts een persoonlijk recht is gevestigd. Ook latere verwijzingen naar het recht van weg in andere akten zijn onvoldoende om een erfdienstbaarheid aan te nemen. Het arrest bevestigt de strikte eisen voor de vestiging van een erfdienstbaarheid en de uitleg van notariële akten in het Nederlandse goederenrecht.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt dat geen erfdienstbaarheid is gevestigd in de notariële akte van 1909.