ECLI:NL:PHR:2003:AG3035

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 september 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02627/02
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 160 SvArt. 161 SvArt. 206 RvArt. 295 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid kantonrechter tot aangifte meineed en ontvankelijkheid OM

In deze strafzaak werd verdachte door het Gerechtshof Arnhem veroordeeld wegens meineed. De kantonrechter had tijdens de civiele procedure proces-verbaal opgemaakt ter zake van verdenking van meineed tegen verdachte. Verdachte stelde dat de kantonrechter niet bevoegd was tot het doen van aangifte van meineed en dat het Openbaar Ministerie (OM) daarom niet ontvankelijk was.

De Hoge Raad overwoog dat in civiele procedures de rechter niet vrij is onverplicht aangifte te doen van strafbare feiten die door partijen ter ondersteuning van hun standpunt zijn meegedeeld, tenzij er een wettelijke verplichting of noodzaak bestaat. Bij vermoedens van misleiding van de rechter, zoals bij meineed, is de rechter wel bevoegd aangifte te doen. In deze zaak was het vermoeden van misleiding door verdachte voldoende om de kantonrechter tot aangifte te laten overgaan.

Verder oordeelde de Hoge Raad dat het opmaken van een proces-verbaal door de kantonrechter op grond van art. 206 Rv Pro geldig was, ondanks het ontbreken van een specifieke regeling voor meineed in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Het middel van verdachte werd verworpen en het beroep afgewezen.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep van verdachte ongegrond en bevestigt de ontvankelijkheid van het OM en de bevoegdheid van de kantonrechter tot aangifte van meineed.

Conclusie

Nr. 02627/02
Mr. Vellinga
Zitting: 17 juni 2003
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens meineed veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van zestig uur in plaats van één maand gevangenisstraf. Voorts is de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf bevolen.
2. Namens verdachte heeft mr. M.G. Cantarella, advocaat te 's-Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel bevat de klacht dat het Hof het Openbaar Ministerie ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard, aangezien de Kantonrechter niet bevoegd was aangifte van meineed te doen.
4. Op een ter terechtzitting gedaan beroep op niet-ontvankelijkheid heeft het Hof als volgt gereageerd:
"Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, aangezien de kantonrechter geen aangifte ter zake van meineed ter zitting van de kantonrechter had mogen doen tegen de verdachte, nu het een rechter niet vrijstaat onverplicht aangifte te doen van strafbare feiten die hem of haar in het kader van een civiele procedure ter openbare terechtzitting door een partij zijn medegedeeld ter ondersteuning van of toelichting op zijn of haar standpunt en er geen verplichting tot aangifte op basis van artikel 160 van Pro het Wetboek van Strafvordering en ook geen noodzaak voortvloeiend uit 's rechters taak tot aangifte bestond.
Zoals in de beschikking van de Hoge Raad van 30 oktober 2001, zaaknummer 00316/00, is aangegeven wordt de omvang van een aan de beoordeling van de civiele rechter onderworpen geschil bepaald door partijen. De rechter dient het geschil derhalve te beoordelen binnen de door partijen getrokken grenzen. Een geding behoort in ieder geval zoveel mogelijk op basis van werkelijkheid te worden beslist. Dit brengt mee, zoals ook voortvloeit uit de geldende eisen van een goede procesorde in burgerlijke zaken, dat de rechter niet mag worden misleid.
In de onderhavige zaak was er sprake van tegenstrijdige verklaringen van getuigen, waaronder verdachte, ter terechtzitting. De kantonrechter heeft ten aanzien van ieder van hen een proces-verbaal ter zake van verdenking van meineed laten opmaken. Daarmee verschilt de onderhavige zaak van de casus waarvan in het arrest van de Hoge Raad van 30 maart 1998, NJ 1998, 554, sprake was, waarin de openheid in de gedingvoering en daarmee de waarheidsvinding juist werd gediend met het achterwege blijven van een aangifte door de rechter.
Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat de rechter niet de vrijheid toekwam in het kader van artikel 161 van Pro het Wetboek van Strafvordering aangifte te doen ter zake van meineed.
Het hof verwerpt derhalve het verweer."
5. Bij arrest van 30 maart 1998, NJ 1998, 554 besliste de Hoge Raad dat het de rechter niet vrijstaat onverplicht aangifte te doen van strafbare feiten die gelegen zijn in hem in het kader van een civiele procedure door een partij ter kennis gebrachte feiten. Partijen moeten namelijk alle feiten en omstandigheden, die naar hun inzicht van belang kunnen zijn voor de beslissing van hun geschil, vrijelijk ter kennis van de rechter kunnen brengen. De openheid in de gedingvoering verzet zich er daarom tegen dat de rechter onverplicht aangifte zou mogen doen van strafbare feiten die hem in het kader van een civiele procedure door een partij zijn meegedeeld ter ondersteuning van of toelichting op haar standpunt. De rechter mag slechts dan aangifte doen, indien hij uit de hem verstrekte mededelingen ter terechtzitting kan afleiden dat vermoedelijk strafbare feiten zijn begaan door een van de partijen, tot de aangifte waarvan hij wettelijk verplicht is, of voor zover enig ander wettelijk voorschrift de rechter tot mededeling aan een justitiële autoriteit verplicht (bijvoorbeeld in geval de rechter, als getuige gehoord, verplicht wordt een verklaring af te leggen) dan wel uit 's rechters taak een noodzaak tot mededeling aan de officier van justitie zou voortvloeien (hetgeen zich kan voordoen in het in art. 293 Sv Pro. omschreven geval).
In HR 30 oktober 2001, LJN ZD2513, NJ 2003, 201 heeft de Hoge Raad bepaald dat buiten bereik van het voorgaande blijven gevallen van misleiding van de rechter. In die gevallen kan de rechter op de voet van art. 161 Sv Pro aangifte doen, indien bij hem het vermoeden rijst dat die misleiding bestaat in of mede bestaat in het plegen van strafbare feiten.
6. Door te overwegen als hierboven onder 4 weergegeven heeft het Hof feitelijk en niet onbegrijpelijk vastgesteld dat in het onderhavige geval bij de kantonrechter het vermoeden was gerezen van mogelijke misleiding van de rechter door het afleggen van een meinedige verklaring. Het stond de kantonrechter derhalve wel vrij aangifte te doen van meineed.
7. De overwegingen van het Hof geven dus geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en zijn niet onbegrijpelijk.
8. De toelichting op het middel bevat nog de klacht dat de Kantonrechter niet bevoegd was een proces-verbaal ter zake van meineed op te maken. Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevatte noch bevat een specifieke regeling voor het opmaken van een proces-verbaal verdenking meineed als voorzien in art. 295 Sv Pro. In het onderhavige geval heeft de kantonrechter de getuige (de latere verdachte) ter gelegenheid van het getuigenverhoor geconfronteerd met door andere getuigen afgelegde verklaringen en gevraagd of de getuige bij haar verklaring bleef, haar daarbij wijzende op de gevolgen die het afleggen van een meinedige verklaring kan hebben. De getuige heeft verklaard bij haar verklaring te blijven. Van die verklaring is op de voet van art. 206 (oud) Rv proces-verbaal opgemaakt, dat door de getuige, de kantonrechter en de griffier is ondertekend. In de aanhef van dat proces-verbaal is vermeld dat het een proces-verbaal meineed betrof. Aan die vermelding komt mijns inziens geen zelfstandige betekenis toe. Die vermelding doet in elk geval niet af aan de bevoegdheid tot het opmaken van proces-verbaal op de voet van art. 206 (oud) Rv. Daarom gaat genoemde klacht niet op.
9. Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.
10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG