1 Ik ontleen die vooral aan rov. 1 t/m 3 en 6 van het interlocutoire arrest van het Hof van 13 januari 2000.
2 Zie alinea 3.2. van dat stuk. Volgend de Staat was dit punt overigens al eerder naar voren gebracht, zie de pleitnota namens de Staat van 29 oktober 2001, nrs. 1.2 en 1.3.
3 Het ligt in de rede dat deze als "luxe-appartementen" mogen worden aangeduid. Ik heb althans de stellige indruk dat dat het minste is wat van een nieuw opgeleverd (of gerenoveerd) appartement pleegt te worden gezegd.
4 Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 339 - 340.
5 Asser - Hartkamp 4 - I, 2000, nr. 418; Bloembergen - Lindenbergh, Schadevergoeding: algemeen, deel 1, Mon. Nieuw BW B-34, 2001, nrs. 36 - 38; Schadevergoeding (losbl.), Lindenbergh, art. 6:97, aant. 27; Spier c.s., Verbintenissen uit de wet en schadevergoeding, 2000, nr. 207; Barendrecht - Kars - Morée in: "Berekening van schadevergoeding", 1995, p. 24.
6 Zie HR 28 april 2000, NJ 2000, 690 m.nt. ARB, rov. 3.4.2.
7 HR 16 juni 1961, NJ 1961, 444 m.nt. LEHR; HR 19 december 1975, NJ 1976, 280 m.nt. GJS, m.b.t. het derde en vierde middel (in beide zaken: schadebegroting naar rato van de voor herstel noodzakelijke kosten); HR 12 april 1991, NJ 1991, 434, rov. 3.2; HR 9 oktober 1992, NJ 1994, 286 m.nt. CJHB onder nr. 289, rov. 5.1 (gevallen van schade in de vorm van aantasting van de waarde van de zaak); en de in voetnoot 5 aangehaalde literatuur. Ik merk echter op dat de zaken waarin de schade op basis van herstelkosten werd begroot, gevallen betroffen waarin herstel noodzakelijk was of bepaald in de rede lag (in de termen van het arrest van 16 juni 1961: "herstel mogelijk en verantwoord is"); en waarvan voor het overige niet dadelijk voor de hand lag dat door herstel de eigenaar of bezitter aanmerkelijk kon worden bevoordeeld (zie het in de alinea's 18 en 19 hierna te bespreken "oud voor nieuw"-effect). Het ging dus om gevallen waarin herstel van de zaak de voor de hand liggende, of de geredelijk in aanmerking komende "wijze van aanpak" van de betreffende schade was, waardoor tevens de gehele schade (en niet meer dan dat) werd goedgemaakt. In dergelijke gevallen dringt begroting van de schade aan de hand van de herstelkosten zich als voor de hand liggend en redelijk op; en kan het feit dat herstel in feite achterwege is gebleven óf dat herstel door de benadeelde op een uitzonderlijke (en voor hem voordelige) wijze kon worden gerealiseerd, worden beoordeeld als een van de schade los staande, en alleen de benadeelde betreffende bijzonderheid.
8 HR 18 november 1937, NJ 1938, 269 m.nt. EMM; zie thans art. 7:36 - 38 BW.
9 De "leading cases" zijn in de stukken uitvoerig aangehaald: HR 6 juni 1997, NJ 1997, 612, rov. 3.4; HR 10 juni 1988, NJ 1988, 965 m.nt. G, rov. 3.2; HR 23 maart 1979, NJ 1979, 482, m.b.t. onderdeel 1a.
10 Daarnaast is er spanning tussen het hier besproken leerstuk en de rechtsleer over het onderwerp dat met de trefwoorden "alternatieve causaliteit" wordt aangeduid; zie daarover bijvoorbeeld alinea's 3.3 en 3.4 van de conclusie van A-G Spier voor HR 28 april 2000, NJ 2000, 690 m.nt. ARB en de daar aangehaalde vindplaatsen. Er kan ook sprake zijn van een zekere overlap tussen het hier besproken leerstuk en dat van de voordeelstoerekening - een dergelijke overlap is bijvoorbeeld zichtbaar in de aanstonds te citeren overweging uit het arrest van 28 april 2002, NJ 2000, 690 m.nt. ARB.
11 Zoals in voetnoot 7 al aangegeven, heeft de Hoge Raad in het arrest van 16 juni 1961 dan ook de restrictie opgenomen dat het ging om herstel dat "mogelijk en verantwoord" was. Zie ook HR 20 september 1985, NJ 1986, 211 m.nt. G onder nr. 212, rov. 3.1 t/m 3.3; HR 6 juni 1997, NJ 1997, 612, rov. 3.4.
12 HR 1 juli 1993, NJ 1995, 43 m.nt. CJHB, rov. 4.2 en 4.3.1. Ik meen overigens dat het in deze zaak om daadwerkelijk beoogd herstel ging, en dus niet om een abstracte benadering.
13 Opnieuw: HR 16 juni 1961, NJ 1961, 444 m.nt. LEHR.
14 HR 20 september 1985, NJ 1986, 212 m.nt. G, rov. 3.7. Ik merk op dat deze (in de literatuur kritisch ontvangen) beslissing sterk wordt bepaald door (de beperkingen van) het oordeel van de feitenrechter en de klachten van het middel.
15 Zie ook HR 12 april 1985, NJ 1985, 625 m.nt. G, rov. 3.3.
16 De implicatie dat de abstracte beoordeling in die gevallen die daarvoor in aanmerking komen tot redelijke uitkomsten leidt, ontneemt het meeste gewicht aan de bezwaren tegen dit instrument (zie bijvoorbeeld alinea 10 hiervoor en Asser - Hartkamp 4 - I, 2000, nr. 418) die er - kort gezegd - alle op gestoeld zijn dat het instrument niet tot onredelijke uitkomsten mag leiden. Bij correcte toepassing op de hier veronderstelde manier, gebeurt dat nu juist niet.
17 In de literatuur wordt er dan ook op gewezen a) dat abstracte beoordeling wordt toegepast in gevallen waarin als regel een redelijke uitkomst mag worden verwacht; b) dat sterk door de bijzondere (persoonlijke) omstandigheden van het geval gekenmerkte casus zich meestal niet voor deze benadering lenen en c) dat de behoefte aan een eenvoudig hanteerbare regel voor "routine-gevallen" ook een rol speelt: T&C Burgerlijk Wetboek boeken 6, 7 en 8, 2003, Oosterveen, art. 6: 97, aant. 2; Bloembergen - Lindenbergh, Mon. Nieuw BW
B 34, 2001, p. 54; Asser - Hartkamp 4 - I, 2000, nrs. 417 en 418; Spier c.s., Verbintenissen uit de wet en schadevergoeding, 2000, nr. 207; Barendrecht - Kars - Morée in "Berekening van Schadevergoeding", 1995, p. 24. In de rechtspraak wordt ook wel verwezen naar de behoefte aan "hanteerbaarheid" van de gekozen maatstaf, zie bijvoorbeeld HR 28 april 2000, NJ 2000, 690 m.nt. ARB, rov. 3.4.2.
18 Zoals eerder aangestipt, doet zich in de onderhavige zaak de bijzonderheid voor dat - kennelijk - pas jaren na de ontruiming door de Staat is besloten tot algehele renovatie van de flats. Dit dwingt echter niet tot de gevolgtrekking dat het herstel waarop Nieuwe Woning haar schadevordering baseert, ten tijde van de ontruiming door de Staat "mogelijk en verantwoord" was. Het feit dat tenslotte tot algehele renovatie is besloten, in combinatie met het feit dat het om oude gebouwen en van jaren her daterende voorzieningen ging, konden het Hof geredelijk doen besluiten dat herstel al van begin af aan niet zinvol was. Dat oordeel ligt inderdaad, volgens mij, in het bestreden arrest besloten.
19 Zie over dit gegeven o.a. Schadevergoeding (losbl.), Lindenbergh en Deurvorst, art. 96, aant. 31; Asser - Hartkamp 4 - I, 2000, nr. 415; Alinea 5 sub b van de conclusie van A-G Hartkamp voor HR 1 juli 1993, NJ 1995, 43. De interessante beschouwingen van Barendrecht - Kars - Morée in "Berekening van schadevergoeding", 1995, p. 28 e.v., lijken nauwelijks met dit verschijnsel rekening te houden.
20 Geen regel zonder uitzonderingen. Als het huurobject een voor korte tijd gehuurde auto is, is er geen aanleiding om (de schade in verband met) de herstelverplichting van de huurder anders te beoordelen, dan wanneer het gaat om de verplichting van een derde die dezelfde schade onrechtmatig aan dezelfde auto heeft toegebracht - en wel als regel: aan de hand van de kosten van zinnig herstel. Dat volgt ook uit de eerder verdedigde wegingsfactoren: in zo'n geval ligt daadwerkelijk herstel van de beschadigde auto bepaald voor de hand, en is er niet als regel (maar hoogstens bij uitzondering) sprake van een aanmerkelijk "nieuw voor oud" effect.
21 Namens de Staat wordt met recht aangevoerd dat de huurrechtelijke literatuur - overigens zonder dat blijkt van nadere analyse van de eerder besproken problemen - zich algemeen op het standpunt stelt dat "herstelschade" concreet en niet abstract moet worden benaderd: Handboek Huurrecht (losbl.), Dozy, art. 1599, aant. 5f; Zuidema, Recht voor de huurder, 2001, nr. 2.3.2.3; Dozy - Jacobs, Hoofdstukken Huurrecht (etc.), 1999, p. 124 - 125; Oldenhuis e.a., Hoofdlijnen in het huurrecht, 1999, p. 124.
22 Zie alinea 2 hiervóór en rov. 6 van het interlocutoire arrest van 13 januari 2000.
23 Ter wille van enige beknoptheid verwijs ik voor verdere gegevens naar alinea 16 van mijn conclusie van 23 mei jl. in de zaak met zaaknr. C02/270HR, en naar de daar aangehaalde vindplaatsen.
24 Zie voor de (overigens schaarse) vindplaatsen over de ratio van art. 7A:1599 Van Delft - Baas, NJB 1977, p. 883 - 884.
25 Voor beschadiging door de huurder of de zijnen - de andere bron van "...onderhoud, hetwelk ten laste van huurders komt..." geeft art. 7A:1600 lid 2 BW een specifieke, afwijkende regel, die blijkens HR 30 juni 2000, NJ 2000, 586 m.nt. PAS, rov. 3.5 geen betrekking heeft op schade die niet tijdens de huurtijd is ontstaan.
26 Handboek Huurrecht (losbl.), Huydecoper, art. 1587, aant. 16; maar zie ook a.w. Dozy, art. 1599, aant. 6a; Zuidema, a.w. nr. 2.3.2.1; Dozy - Jacobs, a.w. p. 125 - 126; De Mol, Huurrecht, 1980, p. 61; Van Delft - Baas, t.a.p.
27 Dat is met name het geval bij Asser - Abas 5 - II, Huur en Pacht, 2001, nr. 53.
28 Tweede Kamer 1997-1998, 26 089 nr. 3, p. 29.