ECLI:NL:PHR:2003:AF8844
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Betaling na faillissement: geen schuldoverneming door derde aan bank
In deze zaak stond centraal of een betaling door de zoon op de rekening-courant van zijn failliete vader aan de bank kon worden toegerekend als voldoening van de schuld van de vader aan de bank. De vader was failliet verklaard en de bank had een debetstand op de rekening van de vader. De zoon betaalde een bedrag dat de bank verrekende met de debetstand.
De curator stelde dat de betaling een betaling aan de failliet was en dat de bank niet bevoegd was tot verrekening, omdat de betaling na faillissement plaatsvond. De bank stelde dat de zoon de schuld van de vader aan de bank had overgenomen en voldaan, waardoor verrekening gerechtvaardigd was.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de betaling aan de vader was gedaan en niet aan de bank, en dat er geen sprake was van een voltooide schuldoverneming zoals bedoeld in art. 6:155 BW Pro. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat de feitelijke vaststelling van het hof dat de zoon aan de vader wilde betalen niet onbegrijpelijk is. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de bank en bevestigde dat de betaling niet als een eigen schuld van de zoon aan de bank kon worden aangemerkt.
De Hoge Raad besprak ook de juridische figuren van schuldoverneming en nakoming door een derde en concludeerde dat hoewel een derde een schuld van een ander kan voldoen, in deze zaak de betaling aan de failliet was gericht. De bank kon daarom de betaling niet verrekenen met de debetstand op de rekening van de failliet.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de betaling door de zoon aan de failliet was gedaan en niet aan de bank.