ECLI:NL:PHR:2003:AF8743

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 september 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01575/02
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 126i SvArt. 126g SvArt. 359a SvArt. 10a Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid pseudokoop en verwerpt niet-ontvankelijkheidsverweer OM

In deze strafzaak stond de vraag centraal of het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard moest worden wegens een vermeende onrechtmatige pseudokoop. De verdachte was betrokken bij de levering van 25.000 XTC-pillen, waarbij het hof oordeelde dat het bevel tot pseudokoop tijdig was afgegeven en de onderhandelingen en levering rechtmatig plaatsvonden.

De feiten wezen uit dat de eerste onderhandelingen over de XTC-levering plaatsvonden tussen de politie-infiltrant en een medeverdachte, waarvoor een bevel tot pseudokoop was afgegeven. De verdachte werd pas later bij de transactie betrokken, waarna ook voor hem een bevel werd afgegeven, nog vóór de daadwerkelijke levering.

Het hof verwierp het verweer dat het OM onrechtmatig had gehandeld door het bevel pas na de eerste afspraken met de verdachte te geven. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en benadrukte dat het bevel tot pseudokoop de voorbereidende handelingen van de medeverdachte dekte en dat de latere betrokkenheid van de verdachte binnen de wettelijke kaders viel.

De Hoge Raad oordeelde dat geen sprake was van ernstige schending van de beginselen van een goede procesorde die niet-ontvankelijkheid zou rechtvaardigen. Ook stelde de Hoge Raad dat het bevel tot pseudokoop primair de positie van de infiltrant beschermt en niet direct een waarborg is voor de verdachte. Het beroep in cassatie werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot drie jaar en zes maanden gevangenisstraf blijft in stand.

Conclusie

Nr. 01575/02
Mr Jörg
Zitting 13 mei 2003
Conclusie inzake:
[verzoeker=verdachte]
1. Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft verzoeker bij arrest van 4 december 2001 terzake van - kort gezegd - het medeplegen van afleveren van XTC-pillen (feit 1 en 2), voorbereidingshandelingen in de zin van art. 10a Opiumwet (feit 3) en het voorhanden hebben van diverse wapens en munitie (feit 4 en 5) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar en zes maanden met onttrekking aan het verkeer als in het arrest omschreven.
2. Namens verzoeker hebben mrs. J.W. Heemskerk en F.W. Oehlen, beiden advocaat te Maastricht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3. In het middel wordt geklaagd over de verwerping van een verweer strekkende tot (primair) niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens een onrechtmatig uitgevoerde pseudokoop.
4. Het bestreden arrest houdt in dit verband het volgende in:
"Namens verdachte is primair betoogd, dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard in zijn strafvervolging ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde wegens de ernstige schending van de beginselen van een goede procesorde. Daartoe is - kort weergegeven - het volgende aangevoerd.
Na de onder 1 tenlastegelegde transactie d.d. 30 juni 2000, waarbij [verdachte] als verdachte in beeld was gekomen, doch voordat ten aanzien van hem een bevel tot pseudokoop was gegeven, hebben hij en de pseudokoper wilsovereenstemming bereikt met betrekking tot de levering van 25.000 XTC-pillen op 4 juli 2000. Aangezien aldus de daarmee tot stand gekomen koop niet werd gedekt door een ten aanzien van verdachte gegeven bevel tot pseudokoop, heeft het opsporingsapparaat onrechtmatig gehandeld. Het Openbaar Ministerie, dat voor dat handelen verantwoordelijk is, moet - aldus verdachte - derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.
Het hof verwerpt dit verweer.
Nog daargelaten, dat blijkens de inhoud van het dossier de gewraakte levering al was overeengekomen tussen de betrokken pseudokoper en de medeverdachte [medeverdachte], faalt het verweer reeds, nu toch artikel 126i, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering te dezen spreekt over het "afnemen van goederen". Van zodanig afnemen was eerst sprake op 4 juli 2000, alzo op een tijdstip, dat ook ten aanzien van verdachte een bevel tot pseudokoop was gegeven. Van enige onrechtmatigheid op dit punt is het hof niet gebleken."
5. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat de verwerping van dit verweer onvoldoende gemotiveerd is, nu het hof een onjuiste en/of te beperkte betekenis zou hebben gegeven aan de zinsnede "afnemen van goederen" in de zin van art. 126i, eerste lid, Sv. Het hof zou er volgens het middel "klaarblijkelijk" vanuit gaan dat een bevel ex art. 126i Sv "slechts gegeven hoeft te worden bij het sluitstuk van de overeenkomst; namelijk slechts voor de feitelijke aflevering van de goederen."
6. Een van de uitgangspunten van de Wet-Bob was dat het gezag van het OM over de politie werd versterkt. Dat heeft onder meer vorm gekregen in een voorafgaande toetsing door het OM van de keuze voor en toepassing van bepaalde (bijzondere) opsporingsbevoegdheden. Daarmee is in beginsel onverenigbaar dat een bevel tot pseudo-koop als bedoeld in art. 126i, eerste lid, Sv eerst wordt gegeven, wanneer alle voorbereidende (onder)handelingen tussen een politie-infiltrant en de verdachte al achter de rug zijn en alleen de daadwerkelijke overdracht van de goederen nog moet plaats vinden (zie Handboek voor de opsporingspraktijk A I 2.8-5). De officier van justitie zou in dat geval in de positie komen te verkeren van een stempelaar die moet fiatteren wat op het punt staat te lukken. Zeg dan maar eens nee. Anderzijds moet men zich hoeden voor wereldvreemdheid, die er uit zou kunnen bestaan dat een infiltrant die op de afgesproken plek arriveert om met de verdachte een toegestane deal af te ronden, bij de onverwachte confrontatie aldaar met een derde die de daadwerkelijke levering komt verrichten, eerst met de officier van justitie moet gaan bellen of hij met die derde wel zaken mag doen. Zo werkt dat niet in dit maatschappelijk segment. Het kan niet anders of hier moet enige flexibiliteit bestaan, een flexibiliteit die geenszins de bedoeling van de wet behoeft te doorkruisen, en waarin het vijfde lid van art. 126i, in zijn verwijzing naar onder andere het achtste lid van art. 126g ook voorziet, zij het niet uitputtend.
7. Dit gezegd zijnde, moet bezien worden of het optreden van de infiltrant jegens verzoeker wordt gedekt door een tevoren gegeven bevel, dan wel binnen de marge van flexibliteit valt.
8. De inhoud van het dossier en de gebezigde bewijsmiddelen leren met betrekking tot de feitelijke gang van zaken het volgende:
Op 2 maart 2000 heeft de officier van justitie een bevel tot pseudokoop als bedoeld in art. 126i, eerste lid, Sv afgegeven op naam van (mede)verdachte [medeverdachte]. Op basis van dit bevel hebben twee politie-infiltranten, met code A-1001 en A-1002, diverse keren in opdracht van hun begeleidingsteam contact gehad met [medeverdachte]. Gedurende die contacten is op enig moment de levering van XTC door [medeverdachte] aan de politie-infiltranten ter sprake gekomen (bewijsmiddel 4, aanvulling p. 13). Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft [medeverdachte] op 29 juni 2000 voor het eerst gemeld dat een derde persoon bij de levering van de XTC zou worden betrokken (bewijsmiddel 8, p. 22). Op vrijdag 30 juni 2000 omstreeks 22.00 is politie-infiltrant A-1001 naar het huis van [medeverdachte] gegaan om nadere afspraken te maken over de koop en levering van de pillen. Daar bleek ook verzoeker aanwezig te zijn. [Medeverdachte] vertelde dat hij "deze handel" niet alleen deed, dat verzoeker zijn compagnon was en dat A-1001 met hen tweeën zaken moest doen (bewijsmiddel 10, p. 26). Verzoeker overhandigde de pseudokoper een zakje met XTC-pillen als monster en er werden afspraken gemaakt over de hoeveelheid en de prijs van de te leveren pillen en de wijze van levering (bewijsmiddel 10). Op maandag 3 juli 2000 is door de officier van justitie mondeling een bevel pseudokoop tegen verzoeker afgegeven. Op 3 juli 's avonds, omstreeks 18.05 uur, spraken A-1001 en [medeverdachte] telefonisch de dag en het tijdstip van de levering af (bewijsmiddel 11, p. 29). De levering van de pillen vond vervolgens op 4 juli 2000 plaats (bewijsmiddel 12, p. 32).
9. Door te overwegen dat de levering al overeengekomen was tussen de pseudokoper en medeverdachte [medeverdachte], heeft het hof als zijn (kennelijke) oordeel tot uitdrukking gebracht dat de voorbereidende handelingen voor de pseudokoop, de onderhandelingen en de afspraken over hoeveelheid, prijs en wijze van levering, gedekt werden door het reeds afgegeven bevel tot pseudokoop op naam van [medeverdachte] en dat voor de handelingen van de politie-infiltranten tot en met 30 juni 2000 geen afzonderlijk bevel tot pseudokoop op naam van verzoeker noodzakelijk was.
10. Dat (kennelijke) oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van de hiervoor genoemde feitelijke gang van zaken niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in het bijzonder in aanmerking dat de onderhandelingen over de koop van XTC-pillen tot 30 juni steeds met [medeverdachte] plaatsvonden; dat zodra duidelijk was dat een tweede persoon bij de zaak betrokken werd (en zodra duidelijk was wie deze persoon was) ook op diens naam een bevel pseudokoop is afgegeven; en dat uit de stukken van het dossier niet blijkt dat de politie-infiltranten tussen het moment waarop duidelijk werd dat verzoeker ook bij de (pseudo)koop zou worden betrokken (30 juni te 22.00 uur) en het afgeven van het bevel pseudokoop op zijn naam (3 juli) op enig moment contact hebben gehad met verzoeker en/of [medeverdachte] dan wel op enige andere wijze activiteiten in het kader van de pseudokoop hebben verricht.(1) Bovendien merk ik op dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de afspraken op 30 juni door de politie-infiltrant met [medeverdachte] en niet met verzoeker zijn gemaakt. Ik wijs bijvoorbeeld op bewijsmiddel 10, waarin infiltrant A-1001 over de afspraken van 30 juni 2000 omtrent prijs, hoeveelheid en leveringswijze van de pillen verklaart:
"Deze afspraken werden door en mij en [medeverdachte] gemaakt en [verzoeker] stemde ermee in."
11. Voor zover het middel stelt dat reeds op 30 juni 2000 een bevel pseudokoop ten name van verzoeker had moeten zijn afgegeven omdat de politie-infiltrant op 30 juni een koopovereenkomst heeft gesloten met verzoeker, stuit het dan ook reeds op bovengenoemde feitelijke vaststellingen af.
12. Voorts ligt in 's hofs oordeel besloten dat ook de uiteindelijke (pseudo)koop en levering van de pillen op 4 juli 2000 rechtmatig plaats vond, nu op dat moment een bevel pseudokoop op naam van verzoeker was afgegeven. Dat oordeel, dat overigens door verzoeker ook niet betwist wordt, geeft evenmin blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is gelet op de feiten en omstandigheden zoals hiervoor gemeld niet onbegrijpelijk.
13. Anders dan in het middel wordt gesteld heeft het hof dus niet geoordeeld dat het bevel tot pseudokoop ten aanzien van verzoeker "overbodig was" omdat er al een bevel tegen medeverdachte [medeverdachte] was, maar slechts dat het eerste stadium van de pseudokoop, tot en met de gemaakte afspraken op 30 juni 2000, gedekt werd door een bevel ex art. 126i Sv op naam van [medeverdachte] en dat ook het tweede deel van de pseudokoop, te weten nádat verzoeker in beeld was gekomen, rechtmatig plaatsvond, namelijk (mede) op basis van het bevel ex 126i Sv op naam van verzoeker.
14. 's Hofs oordeel dat op het punt van de pseudokoop geen onrechtmatigheden zijn gebleken, geeft derhalve geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het hof heeft het verweer verworpen op gronden die deze verwerping kunnen dragen.
15. Ten overvloede wil ik nog de vraag opwerpen of de enkele omstandigheid dat bij de pseudo-koop een derde betrokken raakt tegen wie geen bevel wordt opgemaakt, rechtens de niet-ontvankelijkheid van de officier van Justitie tot gevolg moet hebben. Voor een zo ver gaande sanctie is slechts plaats in die gevallen waarin sprake is van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor van de zijde van de met opsporing en vervolging belaste autoriteiten doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan (HR 24 september 1996, NJ 1997, 71). Daarvan is hier geen sprake, nu van de zijde van de infiltrant in het geheel niet is aangedrongen op betrokkenheid van verzoeker bij de afwikkeling van de deal. Voorts kan worden bestreden of jegens verzoeker onrechtmatig zou zijn gehandeld door op een te laat moment een bevel pseudo-koop af te geven: strekt die norm ter bescherming van verzoeker? De wetsbepaling heeft immers tot achtergrond de rechtspositie van de infiltrant te regelen. Deze begaat onder auspiciën van het OM strafbare feiten, en voorkomen moet worden dat diens straffeloosheid door hemzelf naar eigen believen kan worden uitgebreid (zie de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden, § 2.8.3, sub: De politiële pseudokoper/-dienstverlener). Het - onafhankelijk van art. 126i, tweede lid, Sv van kracht gebleven - jurisprudentiële Tallon-criterium functioneert hier als waarborg voor een verdachte, juist als het tweede lid van art. 126i niet toepasselijk is omdat een bevel in een uitzonderingssituatie ontbreekt, maar de wettelijke eis van het voorafgaande bevel is te zien als een instructienorm, die als zodanig geen waarborg voor een concrete verdachte bevat (m.m. het verbod op doorlaten: HR 2 juli 2002, NJ 2002, 602 met de noot van Buruma, die abdicatie door de Raad hier betreurt).
16. Het middel is - hoe dan ook - tevergeefs voorgesteld en kan aan de hand van de aan art. 81 RO Pro ontleende formulering worden afgedaan. Gronden waarop de Hoge Raad de bestreden uitspraak ambtshalve zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Dat het bevel pseudokoop tegen verzoeker "pas op 3 juli 2000" is afgegeven, wekt overigens geen bevreemding. Politie-infiltrant A-1001 is op vrijdagavond omstreeks 22.00 uur voor het eerst met verzoeker geconfronteerd als tweede betrokkene bij de XTC-verkoop. Kennelijk is op de eerstvolgende werkdag, te weten maandag 3 juli 2000, vervolgens ook ten aanzien van verzoeker een bevel pseudokoop afgegeven