ECLI:NL:PHR:2003:AF7922
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van vergunningseis Wet arbeid vreemdelingen in relatie tot vrije Rijnvaart en internationale verdragen
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een veroordeling wegens overtreding van art. 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) door een onderneming die Rijnvaartschepen exploiteert. De verdachte werd veroordeeld tot een geldboete wegens het laten verrichten van arbeid door een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning.
In het cassatieberoep werden meerdere middelen aangevoerd, waaronder klachten over het proces-verbaal, de vermeende strijdigheid van de Wav met internationale verdragen zoals de Herziene Rijnvaartakte, het Verdrag van Versailles en het EG-Verdrag, en het beroep op overmacht vanwege personeelstekorten.
De Hoge Raad oordeelt dat de Wav niet in strijd is met genoemde verdragen. De vergunningseis raakt slechts zijdelings de voorwaarden voor de vaart en vormt geen directe belemmering van de vrije Rijnvaart. Ook is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de vergunningseis een discriminerende of handelsbelemmerende werking heeft in strijd met het EG-Verdrag. Het beroep op overmacht wordt verworpen omdat de verdachte onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij alle mogelijke inspanningen heeft verricht om legaal personeel aan te trekken.
De klachten over het proces-verbaal worden eveneens afgewezen wegens gebrek aan feitelijke grondslag. De Hoge Raad bevestigt daarmee de uitspraak van het hof en wijst het cassatieberoep af.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen en wijst het beroep op overmacht af.