ECLI:NL:PHR:2003:AF7916
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geldigheid tewerkstellingsvergunningplicht binnen Rijnvaart ondanks verdragsverweren
In deze zaak stond centraal of de toepassing van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), die een tewerkstellingsvergunning vereist voor vreemdelingen die arbeid verrichten in Nederland, verenigbaar is met internationale verdragen die de vrije vaart op de Rijn regelen. Verzoekster was door het Gerechtshof Arnhem veroordeeld wegens overtreding van art. 2, lid 1, Wav.
De verdediging voerde aan dat de Wav en het vereiste van een tewerkstellingsvergunning in strijd zijn met de Herziene Rijnvaartakte, het Verdrag van Versailles en het Verdrag van Barcelona, omdat deze verdragen de vrije doorvaart en vrije vaart op de Rijn garanderen. Tevens werd betoogd dat het vereiste van een vergunning een belemmering vormt voor het vrije verkeer van goederen en personen zoals beschermd door het EG-verdrag.
De Hoge Raad verwierp deze verweren. De Wav regelt de tewerkstelling van vreemdelingen bij in Nederland gevestigde werkgevers en doet geen afbreuk aan het beginsel van vrije vaart op de Rijn. De verdragsbepalingen zijn niet rechtstreeks van toepassing in die zin dat zij nationale arbeidsregelgeving buiten werking stellen. Ook vormen de bepalingen geen maatregelen van gelijke werking in de zin van het EG-verdrag. De Hoge Raad bevestigde dat de strafrechtelijke veroordeling terecht is en dat het beroep op internationale verdragen faalt.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen en verwerpt de verdragsverweren.