ECLI:NL:PHR:2003:AF7541
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt verdeling huwelijksgoederengemeenschap bij helfte ondanks voorovereenkomst huwelijkse voorwaarden
In deze zaak verzocht de vrouw de ontbinding van het huwelijk wegens duurzame ontwrichting en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. De man erkende de ontbinding maar betwistte de gelijke verdeling van de gemeenschap vanwege bijzondere omstandigheden, waaronder een mondelinge voorovereenkomst tot huwelijkse voorwaarden en het door hem ingebracht vermogen.
De rechtbank en het hof verwierpen deze stellingen en oordeelden dat de gemeenschap bij helfte moet worden verdeeld, tenzij zeer uitzonderlijke omstandigheden zich voordoen. De man stelde dat de mondelinge overeenkomst rechtsgeldig was en dat de verdeling op grond daarvan moest worden aangepast. De Hoge Raad bevestigde echter dat het vormvereiste van een notariële akte voor huwelijkse voorwaarden niet slechts bewijsrechtelijk is, maar ook ter bescherming van partijen dient.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat een voorovereenkomst die niet de inhoud van de huwelijkse voorwaarden voldoende bepaalt, niet afdwingbaar is. De stelling dat de vrouw geweigerd heeft mee te werken aan het opstellen van huwelijkse voorwaarden en de omvang van het vermogen van de man vormen geen zeer uitzonderlijke omstandigheden die een afwijking van de hoofdregel rechtvaardigen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap bij helfte blijft, ook als partijen mondeling overeenstemming hadden over het opstellen van huwelijkse voorwaarden na het huwelijk.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de huwelijksgoederengemeenschap bij helfte wordt verdeeld en verwerpt het beroep van de man.