ECLI:NL:PHR:2003:AF7314

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juni 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01392/02
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 348 SvArt. 350 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van plaatsaanduiding in tenlastelegging hennepteelt en behoud van grondslag tenlastelegging

Verdachte werd door het Gerechtshof te 's Gravenhage veroordeeld wegens het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken en/of aanwezig hebben van hennepplant(en in een pand te [woonplaats]. De tenlastelegging vermeldde specifiek de locatie aan de [a-straat], maar het Hof verklaarde bewezen dat het feit in een pand aan de [b-straat 1] te [woonplaats] was gepleegd, zonder de plaatsaanduiding van de tenlastelegging te bevestigen.

Verdachte stelde in cassatie dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging had verlaten door niet van de gehele tenlastelegging vrij te spreken, omdat niet bewezen was dat het feit aan de [a-straat] was gepleegd. De Hoge Raad verwees naar eerdere jurisprudentie waarin werd geoordeeld dat de plaatsaanduiding in soortgelijke gevallen strafrechtelijk niet van belang is voor de beslissingen van de rechter.

Het Hof had geoordeeld dat verdachte onmiskenbaar wist welk feit hem ten laste werd gelegd en waar dit feit was gepleegd, mede omdat het pand zijn woning betrof en verdachte dit als zijn eerste kweek had erkend. Er was geen verweer gevoerd tegen de afwijking in plaatsaanduiding, en de aard van het bewezenverklaarde feit maakte de exacte straatnaam niet relevant.

De Hoge Raad concludeerde dat het Hof door vrij te spreken van het onderdeel 'aan de [a-straat]' niet van de grondslag van de tenlastelegging was afgeweken en dat het middel faalde. Er waren geen gronden voor ambtshalve vernietiging van het arrest. Het beroep werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het Hof heeft de grondslag van de tenlastelegging niet verlaten.

Conclusie

Nr. 01392/02
Mr. Vellinga
Zitting: 8 april 2003
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's Gravenhage wegens het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod veroordeeld tot één maand gevangenisstraf voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van honderd uren.
2. Namens verdachte heeft mr. A.M. Seebregts, advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door ten onrechte niet van de gehele tenlastelegging vrij te spreken, nu het niet bewezen heeft verklaard dat het tenlastegelegde is gepleegd "aan de [a-straat]".
4. Aan verdachte is tenlastegelegd dat
hij op of omstreeks 31 januari 2001 te [woonplaats], in een pand gelegen aan de [a-straat], opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, althans opzettelijk aanwezig heeft gehad, 219, althans één of meer hennepplant(en), in elk geval één of meer hoeveelhe(i)d(en) van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende hennep, zijn de hennep, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.
5. Blijkens zijn arrest heeft het Hof bewezenverklaard dat
hij op 31 januari 2001 te [woonplaats], in een pand, opzettelijk heeft bereid en bewerkt en verwerkt, 219, althans één of meer hennepplant(en), in elk geval één of meer hoeveelhe(i)d(en) van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende hennep, zijn de hennep, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.
6. In een zaak waarin het verlaten van de plaats van het ongeval centraal stond en de straat waar dit volgens de tenlastelegging was geschied, door het Hof niet in de bewezenverklaring was opgenomen, oordeelde de Hoge Raad a) dat de woorden "op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [c-straat]" voor de krachtens de artikelen 348 en 350 Sv door de rechter te geven beslissingen strafrechtelijk niet van belang waren en b) dat niet kon worden gezegd dat het Hof door vrij te spreken van bedoeld onderdeel van de tenlastelegging een ander strafbaar feit dan was tenlastegelegd heeft bewezenverklaard. Aldus kon niet worden gezegd dat het Hof de grondslag der tenlastelegging had verlaten.(1)
7. De door het Hof in de onderhavige zaak opgenomen bewijsmiddelen houden in dat het pand waar verdachte de hem tenlastegelegde gedragingen verrichtte, zich bevindt aan de [b-straat 1] te [woonplaats] en dat het diens (toenmalige) woning betrof. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte aldaar verklaard dat het om zijn "eerste kweek" ging. Kennelijk heeft het Hof derhalve geoordeeld, welk oordeel niet onbegrijpelijk is, dat het aan verdachte onmiskenbaar duidelijk was welk feit hem ten laste werd gelegd en waar ter plaatse dit feit was begaan. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat uit de stukken van het geding niet blijkt dat bij het Hof op dit punt enig verweer is gevoerd hoewel de politierechter verdachte ook reeds had veroordeeld zonder bewezen te verklaren dat het feit was gepleegd aan de [a-straat]. In het licht van het voorgaande en gelet op de aard van het bewezenverklaarde feit is de plaatsaanduiding voor de krachtens de artikelen 348 en 350 door de rechter te nemen beslissingen strafrechtelijk dus niet van belang.
8. Voorts is het Hof door vrij te spreken van het onderdeel "aan de [a-straat]" niet afgeweken van de grondslag van de tenlastelegging. Immers, het Hof heeft door vrij te spreken van het onderdeel "aan de [a-straat]" niet een ander feit bewezenverklaard dan hetgeen was tenlastegelegd.
9. Het middel faalt.
10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 HR 15 maart 1994, NJ 1994, 551 m.nt. Kn. Zie ook HR 5 januari 1998, NJ 1988, 787 alsmede D.H. de Jong, de macht van de telastelegging in het strafproces (diss. Groningen), 1981, p. 22-25 en J. Boksem, Op den grondslag der telastlegging (diss. Nijmegen), 1996, p. 276-277. Vgl. voorts HR 25 juni 2002, LJN AE1185, rov. 3.5.