ECLI:NL:PHR:2003:AF6582

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 juni 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02028/02
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 lid 2 aanhef en onder a Wegenverkeerswet 1994Art. 10a Besluit alcoholonderzoeken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest wegens onvoldoende motivering bewijsverweer inhalergebruik bij ademanalyse

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarbij verdachte is veroordeeld voor een overtreding van de Wegenverkeerswet 1994. Verdachte voerde in hoger beroep aan dat het resultaat van de ademanalyse vertekend was door het gebruik van de inhaler Bricanyl, die de ademhaling vergemakkelijkt en mogelijk het ademalcoholgehalte beïnvloedt.

Het hof verwierp dit verweer, stellende dat het niet aannemelijk was dat verdachte de inhaler vijfmaal had gebruikt. De Hoge Raad oordeelt echter dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het bewijsverweer is afgewezen, zonder duidelijkheid te verschaffen over het aantal inhalaties en de mogelijke invloed daarvan op de ademanalyse.

De Hoge Raad overweegt dat het gebruik van de inhaler juist de betrouwbaarheid van de ademanalyse kan verbeteren doordat het vernauwde luchtwegen openzet, en dat overmatig gebruik mogelijk zelfs tot een lagere gemeten alcoholconcentratie kan leiden. Gezien deze onduidelijkheden vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak naar een ander hof voor hernieuwde beoordeling.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar een ander hof voor hernieuwde beoordeling.

Conclusie

Nr. 02028/02
Mr Machielse
Zitting 25 maart 2003
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage (enkelvoudige kamer) heeft verdachte op 4 april 2002 voor het misdrijf van art. 8 lid 2 aanhef Pro en onder a WVW 1994 veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 500.
2. Mr. R.A. Kaarls, advocaat te 's-Gravenhage, heeft cassatie ingesteld en een schriftuur doen toekomen, houdende één middel van cassatie.
3.1. Het middel klaagt dat het hof tot een bewezenverklaring is gekomen en dat een bewijsverweer ten onrechte is verworpen.
De toelichting op het middel bevat een bijna woordelijke herhaling van hetgeen in hoger beroep aan de feitenrechter is voorgelegd. In hoger beroep is als verweer gevoerd dat verdachte in verband met hyperventilatieproblemen Bricanyl gebruikt, een inhaler die de ademhaling vergemakkelijkt. Vóór het afnemen van de ademanalyse heeft verdachte, geschrokken van het ongeval waarbij hij betrokken was, naar eigen zeggen vijfmaal geïnhaleerd. In hoger beroep zijn bescheiden overgelegd, waaronder een verklaring van een apotheker, inhoudende dat door gebruik van Bricanyl de luchtwegen wijder open worden gezet, waardoor de afgifte van alcohol uit het bloed 'mogelijk groter' is. De stelling van de verdediging is dat het resultaat van de ademanalyse door het gebruik van de inhaler een vertekend beeld gaf van het ademalcoholgehalte.
Het hof heeft als volgt op het verweer gerespondeerd:
De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken omdat bij de blaastest de meting is beïnvloed doordat verdachte vijf maal een dosering van zijn medicijn heeft ingenomen.
Het hof verwerpt dit verweer. Naar 's hofs oordeel is niet aannemelijk geworden dat verdachte zijn medicijn vijf maal heeft geïnhaleerd.
3.2. De verwerping van het verweer is naar mijn mening ontoereikend gemotiveerd. Het hof laat in het midden wat het precies voor vaststaand aanneemt; of verdachte het middel viermaal, driemaal, tweemaal of eenmaal heeft geïnhaleerd en welke invloed zo een inhaleren gehad zou kunnen hebben op het resultaat van de ademanalyse. Als het hof van oordeel was dat onaannemelijk is dát verdachte heeft geïnhaleerd had het hof wel overwogen "dat het onaannemelijk is dat verdachte heeft geïnhaleerd".
Dát het hof heeft gemeend het verweer te kunnen afwijzen acht ik overigens, afgezien van het zojuist opgemerkte, niet zo vreemd als men in ogenschouw neemt dat verdachte volgens het proces-verbaal van verbalisanten eerst zou hebben gezegd dat hij 5 glaasjes jenever had gedronken en dat hij niet meteen op de voet van art. 10a Besluit alcoholonderzoeken om een tegenonderzoek heeft gevraagd.
Ten overvloede meld ik nog een gedachte die mij bekroop bij het lezen van de bijlagen bij de pleitnota in hoger beroep. Het middel dat verdachte zou hebben gebruikt zou het effect van een vernauwende verkramping van de luchtwegen ongedaan maken. Een normaal gebruik van het middel zal dus als effect hebben dat de gebruiker weer gewoon adem kan halen. Een persoon die heeft gedronken en ademhalingsmoeilijkheden heeft zal na gebruik van een inhaler reageren als iemand die géén ademhalingsmoeilijkheden heeft. Het gebruik van een inhaler zal dus de betrouwbaarheid van het resultaat van de ademanalyse ten goede komen. Omdat de ademanalyse is gebaseerd op het biologisch verschijnsel dat een klein deel van de alcohol in het bloed in de longalveolen terechtkomt en zo in de adem zal het overmatig gebruik van een inhaler - die immers slechts op de bronchiën en niet op de longalveolen werkt, laat staan op de verwerking van alcohol in het bloed - niet van invloed zijn op de mate waarin het bloed alcohol aan de lucht in de alveolen afstaat. Wellicht dat zelfs door de frequentere verversing van de lucht in de longblaasjes het resultaat van de ademanalyse lager wordt door overmatig gebruik van een inhaler dan wanneer een inhaler gewoon wordt gebruikt. Maar dit alles is slechts lekenpraat.
Het middel lijkt mij terecht voorgesteld.
4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden