ECLI:NL:PHR:2003:AF6260
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt tenuitvoerlegging gedeeltelijke voorwaardelijke gevangenisstraf wegens schending redelijke termijn
In deze strafzaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van verdachte behandeld tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Verdachte was veroordeeld voor meerdere feiten, waaronder mishandeling, bedreiging en eenvoudige belediging, en daarnaast was tenuitvoerlegging gelast van twee voorwaardelijke gevangenisstraffen.
De verdediging klaagde in cassatie over de overschrijding van de redelijke termijn tussen het instellen van het cassatieberoep en de ontvangst van het dossier bij de Hoge Raad. De Hoge Raad stelde vast dat er meer dan vijftien maanden waren verstreken, wat te lang is. Dit leidde tot de conclusie dat strafvermindering op zijn plaats is.
Daarnaast was er een geschil over de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straffen. Het hof had het OM ontvankelijk verklaard, hetgeen door de Hoge Raad werd bevestigd omdat geen wettelijke bepaling vereist dat de startdatum van de proeftijd in de vordering moet worden vermeld.
De Hoge Raad vernietigde het arrest voor zover het de tenuitvoerlegging van een van de voorwaardelijke gevangenisstraffen betrof en bepaalde dat een gedeelte van die straf ten uitvoer zal worden gelegd. Voor het overige werd het beroep verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover het de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf betreft en gelast gedeeltelijke tenuitvoerlegging.