ECLI:NL:PHR:2003:AF5488
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verzekerings- en premieplicht van een Spaanse reservist in Nederland voor de volksverzekeringen in 1989
De zaak betreft de vraag of een Spaanse reservist die sinds september 1989 in Nederland woont en geen betaalde werkzaamheden meer verricht voor het Spaanse ministerie van defensie, premieplichtig is voor de Nederlandse volksverzekeringen over het jaar 1989. Belanghebbende ontving in die periode uitsluitend een salaris van het Spaanse ministerie van defensie, terwijl hij in Nederland onbezoldigd pastorale werkzaamheden verrichtte.
Het Gerechtshof oordeelde dat belanghebbende zijn werkzaamheden als beroepsmilitair definitief had gestaakt en dat hij als ingezetene premieplichtig was voor de Nederlandse volksverzekeringen. De Hoge Raad stelde echter vast dat het begrip 'werkzaam zijn' in de Europese Verordening 1408/71 niet eenduidig is en dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen hierover prejudiciële vragen moet beantwoorden. Dit betreft met name de situatie waarin het dienstverband ongewijzigd doorloopt, maar feitelijk geen werkzaamheden meer worden verricht.
Daarnaast besprak de Hoge Raad de toepassing van nationale regelingen zoals het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen (KB 164) en het Koninklijk Besluit van 19 oktober 1976 (KB 526) over samenloop van uitkeringen. De Hoge Raad concludeerde dat de premieplicht voor de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) niet volledig kan worden geheven over het inkomen dat belanghebbende van het Spaanse ministerie ontving, vanwege het risico van dubbele premieheffing.
Uiteindelijk concludeert de Hoge Raad tot vernietiging van het arrest van het Hof en de aanslag, en verwijst de zaak terug voor nadere beoordeling na beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof van Justitie. De zaak illustreert de complexiteit van de coördinatie tussen nationale en Europese sociale zekerheidsregelingen en de noodzaak van duidelijke criteria voor het onderscheid tussen actieve en postactieve werknemers.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, het arrest van het Hof en de aanslag vernietigd, en de zaak terugverwezen voor nadere beoordeling na prejudiciële vragen.