De voorzitter: Ik wil graag met u overgaan naar het zogenaamde sap-traject. Wordt de sap- en limonademan een informant?
De [verdachte]: Deze man wordt een informant van de RCID Kennemerland.
De voorzitter: Mag ik u vragen met wie u deze informant, deze limonade- en sapfabrikant, gerund hebt?
De [verdachte]: Deze sapman is gerund door drie man van de RCID Kennemerland, waarvan ik er één ben.
De voorzitter: Daar bent u er één van. Wie waren de andere twee?
De [verdachte]: De een is de [medeverdachte] en de ander een medewerker van de RCID Kennemerland.
De heer De Graaf: U hebt eerder gezegd dat u dit niet deed als chef van de CID, behalve bij een belangrijke informant in het Delta-traject. Dat is echter niet deze limonadefabrikant. Hier hebt u het dus ook gedaan?
De [verdachte]: Incidenteel.
De heer De Graaf: Waarom?
De [verdachte]: Deze man gaf zeer specifieke en goede informatie die wij gebruikten in het Delta-traject.
De heer De Graaf: Dat zal best, maar dat hadden uw CID-runners toch ook kunnen doen. Die waren toch ook betrokken bij het Delta-traject?
De [verdachte]: Tja...
De heer De Graaf: Daar is ook geen verklaring voor?
De [verdachte]: Nou, geen verklaring voor... Vorige keer is door de commissie gevraagd of het niet normaal is dat er af en toe een CID-chef meegaat. Dat is ook normaal. Bij deze specifieke man met deze specifieke kennis heb ik vaker deel uitgemaakt van het tweemanschap.
De voorzitter: Is het ook zo dat u eind november toestemming hebt gegeven om de personennaam van een van de dekmantels te gebruiken voor het openen van een borgrekening voor het bedrijf van deze persoon?
De [verdachte]: Dat is juist.
Hij had alleen een niet-Nederlandse cover-naam nodig. En die hebben wij hem aangereikt. Daarmee was de continuïteit van zijn bedrijf verzekerd. Dat was het belang dat wij in de zaak hadden. Wij hadden er belang bij dat zijn bedrijf in stand bleef, omdat wij continu of zeer regelmatig vruchtensappen transporteerden naar zijn bedrijf.
Ik neem aan dat het november 1992 geweest moet zijn. U hebt het gehad over eind november 1992. Neen, dat kan niet. Het is eind 1993.
De voorzitter: De limonademan zegt dat hij vanaf 1993 betalingen heeft gekregen via [medeverdachte]. Hij zegt echter ook dat u hem betalingen hebt aangeboden.
De [verdachte]: Dit is absolute waanzin. Ik heb deze man nimmer geld gegeven. Er is ook niet in mijn bijzijn geld over tafel gegaan naar deze man. (..) Zoals ik al zei zijn er onder mijn leiding of in mijn bijzijn geen betalingen verricht door de [medeverdachte].
De voorzitter: Weet u of [medeverdachte] wel betalingen heeft gedaan aan deze man?
De [verdachte]: Daar hebben wij het afgelopen dinsdag uitgebreid over gehad. Dat is echter gebeurd op een moment dat [medeverdachte] al weg was bij de politie. Het is dus niet onder mijn leiding gebeurd.
De voorzitter: En daar hebt u nooit van geweten, zegt u?
De [verdachte]: Ik ben daarmee geconfronteerd door de rijksrecherche op, als ik het goed heb, donderdag of vrijdag een week geleden. Daarna is het verhoor door de rijksrecherche afgebroken en heb ik mij in verbinding gesteld met [medeverdachte]. Toen heb ik het verhaal van hem gehoord.
De voorzitter: Hebt u nooit meer met [medeverdachte] over deze limonadefabrikant gesproken, nadat [medeverdachte] de dienst verlaten had?
De [verdachte]: Ik heb na die tijd nog regelmatig met [medeverdachte] gesproken, dus uiteraard ook over deze limonademan.
De voorzitter: Precies. U zegt echter: ik heb daarbij nooit gesproken over geld dat betaald is.
De [verdachte]: Neen, wij hebben daar niet over geld gesproken.
De voorzitter: Weet u dat heel zeker?
De [verdachte]: Ja.
De voorzitter: Weet u dat echt zeker?
De [verdachte]: Ja.
De voorzitter: U hebt nooit met [medeverdachte] gesproken over betalingen die gedaan zijn?
De [verdachte]: Ik heb daar vorige week met hem over gesproken naar aanleiding van de opmerking van de rijksrecherche dat er in het traject in 1995 gelden over tafel gegaan zijn. Daar ben ik mee geconfronteerd. En toen heb ik het verhaal van hem gehoord.
De voorzitter: Wat hebt u toen gehoord?
De [verdachte]: Dat er inderdaad middels [medeverdachte] bedragen geld naar de limonademan gegaan zijn.
De voorzitter: En toch hebt u al deze dingen die ik u vraag en die door [medeverdachte] aan de limonademan gezegd zijn, nooit met hem besproken?
De [verdachte]: Neen.
De voorzitter: Nooit besproken?
De [verdachte]: Zoals ik al zei: nooit besproken.
De voorzitter: Ik wil u nog een feitelijke vraag stellen over het gebruik van de cover die u aan de limonademan hebt toegestaan. Hebt u later nog gecontroleerd wat daar verder mee gebeurd is, toen u wegging als CID-chef?
De [verdachte]: Neen, het enige wat er gebeurd is...
De voorzitter: Waarom niet?
De [verdachte]: Om uw eerste vraag even af te maken: het enige wat wij gedaan hebben, is de cover ter beschikking stellen. Verder hebben wij ons daar helemaal niet mee bemoeid. Dat is allemaal binnen de bedrijfsvoering van de man zelf gegaan. Ik zou ook geen enkele reden of noodzaak zien om dat later nog een keer na te trekken.
De voorzitter: Maar u bent toch wel verantwoordelijk voor het gebruik dat van die naam gemaakt wordt?
De [verdachte]: Het enige wat de bedoeling was, was om die naam te gebruiken om een tegenrekening te kunnen realiseren, met in de lijn een aantal mensen die daar mede hun toestemming voor hadden gegeven, zoals een bankdirecteur. Ik heb er nooit aan getwijfeld dat dit fout zou lopen.
De voorzitter: Maar er is met hem toch wel, ook gedrieën, gesproken over het opzetten van zijn bedrijf in Zuid-Amerika en de consequenties daarvan?
De [verdachte]: Neen, hij heeft ons op enig moment geïnformeerd dat hij dat van plan was en dat hij...
De voorzitter: En u ontkent dat er toen sprake is geweest, direct of indirect, van enige betaling?
De [verdachte]: Dat ontken ik.
De voorzitter: Dat ontkent u?
De [verdachte]: Ten stelligste.