ECLI:NL:PHR:2003:AF5430

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 april 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03462/00 H
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 468 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag herziening wegens onvoldoende medewerking aan onderzoek identiteit

De aanvrager werd op 1 oktober 1999 bij verstek veroordeeld door de politierechter te Amsterdam tot een gevangenisstraf van twee maanden wegens diefstal. Na deze veroordeling diende zijn advocaat een aanvraag tot herziening in, stellende dat een ander zich voor de aanvrager had uitgegeven bij het delict. Ter onderbouwing werd een aangifte van valsheid in geschrift overgelegd.

De Hoge Raad liet een nader onderzoek verrichten om vast te stellen of de persoon die op 2 augustus 1999 in Amsterdam werd aangehouden daadwerkelijk de aanvrager was. Het parket te Amsterdam deed meerdere pogingen om contact met de aanvrager te krijgen, maar deze pogingen bleven zonder resultaat.

Vanwege het gebrek aan medewerking van de aanvrager kon zijn stelling niet worden getoetst. De Hoge Raad concludeerde daarom dat de aanvraag tot herziening ongegrond was en wees deze af.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af wegens onvoldoende medewerking van de aanvrager aan het onderzoek.

Conclusie

Nr. 03462/00/H
Mr Machielse
Zitting 17 december 2002
Conclusie inzake:
[aanvrager]
Aanvrager is op 1 oktober 1999 bij verstek door de politierechter te Amsterdam voor diefstal veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden. Mr S.J.M. Jaasma, advocaat te Amsterdam, heeft een aanvraag tot herziening ingediend welke aanvraag is gebaseerd op de stelling dat een ander zich voor aanvrager zou hebben uitgegeven. Bij de aanvraag is gevoegd een aangifte van aanvrager van valsheid in geschrift door een zekere [A], die zich voor aanvrager zou hebben uitgegeven.
Naar aanleiding van de aanvraag heb ik stappen gezet om een nader onderzoek te doen verrichten, meer bepaald om na te kunnen gaan of degene die op 2 augustus 1999 te Amsterdam is aangehouden een ander was dan aanvrager. Via het College van PG's is mij bericht dat het parket te Amsterdam vele pogingen in het werk heeft gesteld om aanvrager te bewegen contact op te nemen, welke pogingen alle vruchteloos bleven. Gelet op de aard van de pogingen die in het werk zijn gesteld ben ik van mening dat aanvrager zich niet coöperatief genoeg heeft opgesteld om zijn stelling te laten toetsen. Dat voert mij tot de conclusie dat de aanvraag ongegrond dient te worden verklaard.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden