ECLI:NL:PHR:2003:AF5235

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 april 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01134/02
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verdachte in cassatie wegens termijnoverschrijding

In deze zaak heeft het Gerechtshof te Arnhem de verdachte bij arrest van 31 augustus 2001 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, wegens meerdere verkrachtingen. Tevens werd een schadevergoeding van 5.000 gulden aan een benadeelde toegewezen, terwijl andere benadeelden niet-ontvankelijk werden verklaard in hun vorderingen.

De verdachte heeft namens zijn raadsman op 26 september 2002 een schriftuur met een cassatiemiddel ingediend bij de Hoge Raad. Dit middel werd echter op 12 februari 2003 ingetrokken door dezelfde raadsman. Hierdoor heeft de verdachte niet binnen de wettelijke termijn een schriftuur met cassatiemiddelen ingediend, zoals vereist op grond van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Als gevolg hiervan kan de verdachte niet in het cassatieberoep worden ontvangen. De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is dan ook dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het cassatieberoep.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van cassatiemiddelen.

Conclusie

Nr. 01134/02
Mr. Machielse
Zitting 25 februari 2003
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft verdachte bij arrest van 31 augustus 2001 vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 2 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. "verkrachting, meermalen gepleegd" veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met de bijzondere voorwaarde als in het arrest omschreven. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde [benadeelde partij 1] toegewezen tot een bedrag van f 5.000,- en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander als in het arrest vermeld. Tevens zijn de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.
2. Namens de verdachte is van mr. J.M. Sjöcrona, advocaat te Den Haag, op 26 september 2002 ter griffie van de Hoge Raad een schriftuur ingekomen houdende één middel van cassatie. Dit cassatiemiddel is door mr. J.M. Sjöcrona bij brief van 12 februari 2003 evenwel ingetrokken.
3. Het voorgaande brengt mee dat de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, zodat niet in acht is genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte kan derhalve niet in het beroep worden ontvangen.
4. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden