ECLI:NL:PHR:2003:AF4606
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over nakoming ruilovereenkomst en vergoeding immateriële schade bij onrechtmatig handelen provincie
De zaak betreft een langdurig geschil tussen eiser en de provincie over de nakoming van twee ruilovereenkomsten betreffende grond. Eiser sloot in 1978 een eerste overeenkomst met de provinciale waterstaat, gevolgd door een tweede overeenkomst voor een groter perceel, die echter niet werd goedgekeurd door Gedeputeerde Staten (GS). De provincie stelde de tweede overeenkomst eigenmachtig terzijde en dwong nakoming van de eerste overeenkomst af.
Eiser vorderde nakoming van de tweede overeenkomst en schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van de provincie. Na diverse procedures stelde de Hoge Raad vast dat de provincie door haar handelen onrechtmatig was, maar dat de primaire vorderingen reeds onherroepelijk waren afgewezen. Eiser stelde later een rekest-civiel in wegens bedrog, omdat de provincie onjuiste informatie had verstrekt over de goedkeuring van de tweede overeenkomst.
De Hoge Raad oordeelde dat het rekest-civiel niet-ontvankelijk was wegens termijnoverschrijding en dat eiser onvoldoende belang had bij herroeping van eerdere arresten. Voorts werd geoordeeld dat de vordering tot vergoeding van immateriële schade wegens aantasting van de persoon niet toewijsbaar was, omdat eiser onvoldoende psychisch letsel had aangetoond. De Hoge Raad bevestigde dat levensvreugdeverlies op zichzelf onvoldoende is voor vergoeding van immateriële schade.
De procedure toont de complexiteit van procesrechtelijke regels omtrent cassatie, appel en rekest-civiel, en benadrukt de restrictieve toetsing van immateriële schade bij onrechtmatig handelen door overheden.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en verklaarde het rekest-civiel niet-ontvankelijk; vergoeding van immateriële schade werd afgewezen.