AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt nietigheid verzekeringsovereenkomst bij ontbreken vliegbrevet tijdens lesvlucht
Op 10 augustus 1995 sloot Horizon Management B.V., vertegenwoordigd door eiser, een verzekeringsovereenkomst voor een eenmotorig vliegtuig met NLP. De polis dekte schade en aansprakelijkheid, met gebruiksdoeleinden waaronder privégebruik en incidentele IFR-instructie, maar expliciet geen basisinstructie (ab initio).
In oktober 1995 verongelukte het vliegtuig tijdens een lesvlucht waarbij eiser onder leiding van een instructeur les kreeg voor zijn vliegbrevet. NLP stelde de verzekering nietig op grond van art. 251 WetboekPro van Koophandel omdat eiser niet beschikte over een vliegbrevet en dit verzwegen was.
De rechtbank wees de vordering tegen NLP af wegens nietigheid van de polis. Het hof herstelde de ontvankelijkheid maar verwierp de overige grieven en bevestigde dat basisinstructie niet onder de dekking valt. De Hoge Raad oordeelde dat de dwaling van NLP toe te rekenen is aan de onzorgvuldigheid van de assurantietussenpersoon die namens Horizon handelde, en bevestigde dat de schade niet onder de polis valt.
Het cassatieberoep van eiser werd verworpen, waarbij het hof en de Hoge Raad het standpunt handhaafden dat de polis nietig is wegens het ontbreken van een vliegbrevet en dat de schade door de lesvlucht niet gedekt is. Het incidenteel cassatieberoep van NLP behoeft geen behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de schade door het ongeval tijdens de lesvlucht niet onder de verzekering valt vanwege nietigheid van de polis wegens het ontbreken van een vliegbrevet.
Conclusie
Rolnr. C02/009HR
Mr L. Strikwerda
Zt. 17 jan. 2003
conclusie inzake
[eiser]
tegen
Verzekeringsmaatschappij De Nederlandse Luchtvaartpool N.V.
Edelhoogachtbaar College,
1. Het gaat in deze zaak, die haar aanleiding vindt in een tragisch luchtvaartongeval dat in oktober 1995 plaatsvond op het vliegveld Midden-Zeeland, om de vraag of thans eiser tot cassatie recht op schadeuitkering heeft onder de met betrekking tot het bij het ongeval betrokken vliegtuig gesloten verzekeringsovereenkomst.
2. De feiten waarvan in cassatie moet worden uitgegaan, treft men aan in r.o. 1 onder a t/m e van het vonnis van de Rechtbank (zie r.o. 3 van het bestreden arrest van het Hof). Zij komen, voor zover thans van belang, op het volgende neer.
(i) Op 10 augustus 1995 is door bemiddeling van assurantietussenpersoon [A] B.V. (hierna: [A]), die daarbij handelde in opdracht van Horizon Management B.V. (hierna: Horizon), waarvan thans eiser tot cassatie (hierna: [eiser]) directeur en eigenaar was, een verzekeringsovereenkomst tot stand gekomen tussen Horizon en thans verweerster in cassatie (hierna: NLP). Bij deze overeenkomst is een eenmotorig vliegtuig van het type Ruschmeyer met registratie [002] verzekerd tegen het risico van verlies van en schade aan het vliegtuig (rubriek A), alsmede aansprakelijkheid tegenover derden (rubriek B) en tegenover passagiers (rubriek C). Als gebruiksdoeleinden worden in de polis vermeld:
"1) Privé en privé-zakelijk;
2) Incidenteel I.F.R. instructie".
Als "Vliegers" worden genoemd:
"1) Verzekerde;
2) Door Verzekerde goedgekeurde vliegers in het bezit van de voor de desbetreffende vluchg vereiste bevoegdheden met minimaal C.P.L./I.R. en 100 uur ervaring met vliegtuigen uitgerust met een intrekbaar landingsgestel".
Voorts is in art. 3 vanPro de bij de verzekeringsovereenkomst behorende Algemene Bepalingen het volgende vermeld:
"Deze polis is niet voor overdracht vatbaar, tenzij met daarop aan te schriftelijke toestemming van verzekeraars."
(ii) Aan deze overeenkomst was een gesprek met [A] op 4 juli 1995 voorafgegaan, waarvan in een interne aantekening onder meer het volgende is vermeld:
"zelf overlessen + ervaren vlieger".
Op dezelfde datum, 4 juli 1995, had NLP aan [A] een offerte uitgebracht, waarin [eiser] als verzekerde stond vermeld en als gebruiksdoel van het vliegtuig privé-gebruik. Vervolgens was op naam van Horizon een verzekeringscertificaat afgegeven voor de periode van 1 augustus 1995 tot 1 augustus 1996, waarin als gebruiksdoeleinden "private business and pleasure" en "IFR instruction" waren vermeld. Tijdens telefonisch overleg met [eiser] op 12 juli 1995 had [A] nog de volgende aantekeningen op de offerte genoteerd:
"geen ab-initio
uses: private business/pleasure
IF instruction -> basic
pilots [eiser] and a.o-pilot as approved by the insured min cpl/IR and 100 hrs experience Retractable gear a/c".
(iii) Op 14 oktober 1995 is het vliegtuig op het vliegveld Midden-Zeeland verongelukt, als gevolg waarvan een derde om het leven is gekomen, een derde gewond is geraakt en schade is toegebracht aan het casco van het vliegtuig en aan zaken van derden. [Eiser] voerde op dat moment onder leiding van een vlieginstructeur met het vliegtuig een lesvlucht uit ter verkrijging van zijn vliegbrevet.
(iv) Bij brief van 2 mei 1997 aan de raadsman van [eiser] heeft NLP een beroep gedaan op de nietigheid van de verzekeringsovereenkomst ex art. 251 K, omdat is verzwegen dat [eiser] niet over een vliegbrevet beschikte.
3. Bij dagvaardingen van 26 oktober 1998 heeft [eiser] zowel NLP als [A] voor de Rechtbank te Amsterdam in rechte betrokken en gevorderd - kort gezegd - primair een verklaring voor recht dat de verzekeringsovereenkomst niet nietig is en NLP te veroordelen om aan [eiser] alle schade te voldoen, op te maken bij staat, die is veroorzaakt door voormeld vliegtuigongeval en, subsidiair, [A] te veroordelen om aan [eiser] alle schade te voldoen, op te maken bij staat, die is veroorzaakt door voormeld vliegtuigongeval.
4. Nadat NLP en [A] ieder voor zich de vorderingen van [eiser] hadden bestreden, heeft de Rechtbank bij vonnis van 5 april 2000 [eiser] in zijn vordering tegen NLP niet-ontvankelijk verklaard voor zover deze vordering betrekking heeft op de rechten die Horizon aan de verzekeringsovereenkomst kan ontlenen en de vordering tegen NLP voor het overige afgewezen. De vordering tegen [A] heeft de Rechtbank toegewezen.
5. Wat de vordering tegen NLP betreft, overwoog de Rechtbank onder meer dat, nu vast staat dat NLP aan Horizon de op de grond van art. 3 vanPro de Algemene Bepalingen vereiste toestemming voor de overdracht van de polis niet heeft gegeven, [eiser] de rechten die Horizon aan de polis kan ontlenen niet voor zichzelf jegens NLP kan uitoefenen (r.o. 5.1). Aangezien evenwel in de stellingen van [eiser] kan worden gelezen dat zijn vordering tegen NLP tevens betrekking heeft op de rechten tot vergoeding van de schade die hijzelf aan rubriek B van de polis kan ontlenen, achtte de Rechtbank [eiser] in zoverre wel ontvankelijk in zijn vordering tegen NLP (r.o. 5.2). Deze aldus begrepen vordering komt naar het oordeel van de Rechtbank echter niet voor toewijzing in aanmerking omdat het beroep van NLP op nietigheid van de verzekeringsovereenkomst op grond van art. 251 K wegens het feit dat haar is verzwegen dat de als piloot opgegeven [eiser] niet over een geldig vliegbrevet beschikte, slaagt (r.o. 7.1 t/m 7.3 en r.o. 8). In dit verband overwoog de Rechtbank onder meer:
"7.2. [eiser] kan aan NLP niet tegenwerpen dat zij voor de beoordeling van de aanvraag het door haar gehanteerde aanvraagformulier niet heeft gebruikt, nu [eiser] zelf de bemiddeling heeft ingeroepen van een in luchtvaartuigen gespecialiseerde assurantietussenpersoon, die volgens [eiser] heeft verklaard dat hij "categorisch" weigert om gebruik te maken van dergelijke formulieren. Zijn stelling in aanmerking genomen dat het in de luchtvaartwereld niet veel zal voorkomen dat een leerlingvlieger, die nog niet over een vliegbrevet beschikt, een vliegtuig aanschaft, mocht NLP er tegen die achtergrond vanuit gaan dat [eiser] over een vliegbrevet beschikte en behoefde van haar niet te worden verwacht dat zij daarnaar nog speciaal zou informeren.
7.3. Ook uit de opgegeven gebruiksdoeleinden van het vliegtuig behoefde NLP niet af te leiden dat [eiser] niet over een vliegbrevet beschikte, omdat uitdrukkelijk is opgegeven dat het vliegtuig niet voor ab initio-instructie, (naar partijen het eens zijn:) basisinstructie die nodig is voor het behalen van het vliegbrevet, zou worden gebruikt. Dat er wel dekking voor basisinstructie zou bestaan wanneer [eiser] de lesvluchten zou uitvoeren, volgt, anders dan hij meent, niet uit de offerte, de aantekeningen daarop en de polis. Het feit dat uitdrukkelijk is opgegeven en in de polis is opgenomen dat kennelijk van de basisinstructie deel uitmakende IFR-instructie wel is toegestaan, betekent a fortiori niet dat ook het meerdere, de gehele basisinstructie, is toegestaan."
6. [Eiser] is van het vonnis van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam en heeft daarbij NLP en [A] afzonderlijk gedagvaard. In dit cassatiegeding is enkel het hoger beroep tegen NLP aan de orde.
7. In het hoger beroep tegen NLP heeft [eiser] zeven grieven aangevoerd. Voor zover thans in cassatie van belang richtte grief I zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring door de Rechtbank van [eiser] in zijn vordering tegen NLP; met de grieven III en IV viel [eiser] de zojuist aangehaalde r.o. 7.2 resp. 7.3 van het vonnis van de Rechtbank aan.
8. Het Hof heeft grief I gegrond bevonden. Daartoe overwoog het Hof dat, hoewel naar de letter toestemming van NLP nodig was voor de overdracht van de polis door Horizon aan [eiser], de feitelijke situatie zo is, dat ook voor NLP duidelijk was, althans in redelijkheid geweest moet zijn dat in materiële zin [eiser] gelijk gesteld kan worden met Horizon in het kader van de onderhavige verzekeringsovereenkomst (r.o. 4.1).
9. Grief III heeft het Hof verworpen. Het Hof overwoog daartoe (r.o. 4.3):
"De rechtbank heeft in rechtsoverweging 7.2 terecht en op goede gronden geoordeeld dat [eiser] aan NLP niet kan tegenwerpen dat zij voor de beoordeling van de aanvraag het door haar gehanteerde aanvraagformulier niet heeft gebruikt. Nu [eiser] zich heeft gewend tot de gespecialiseerde tussenpersoon [A] B.V. van wie hij wist dat deze het standaard aanvraagformulier van NLP niet gebruikte, heeft hij zich voor de bemiddeling bij het tot stand brengen van de verzekeringsovereenkomst geheel verlaten op deze tussenpersoon. Indien in deze situatie [A] zich jegens [eiser] niet gedraagt als van een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon mag worden verwacht - zoals in het tegelijk met dit arrest gewezen arrest tussen [A] en [eiser] is komen vast te staan - kan de onzorgvuldigheid van [A] jegens [eiser] niet aan NLP worden toegerekend. Het hof neemt over hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen en maakt die overwegingen tot de zijne."
10. Grief IV is door het Hof evenmin gegrond bevonden. Het Hof overwoog (r.o. 4.4):
"Ook hier wordt geheel overgenomen hetgeen door de rechtbank in rechtsoverweging 7.3 is overwogen. In hoger beroep heeft [eiser] niet iets nieuws aangevoerd, zodat het hof volstaat met een verwijzing naar het vonnis."
11. Waar naar zijn oordeel de overige grieven falen dan wel geen behandeling behoeven, heeft Het Hof het vonnis van de Rechtbank, voor zover tussen [eiser] en NLP gewezen, bekrachtigd.
12. [Eiser] is tegen het arrest van het Hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit vijf onderdelen opgebouwd middel. NLP heeft het middel bestreden en geconcludeerd tot verwerping van het door [eiser] ingestelde cassatieberoep. Voorts heeft NLP van haar kant voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld met een uit twee onderdelen opgebouwd middel. [eiser] heeft dit middel bestreden en geconcludeerd tot verwerping van het voorwaardelijk door NLP ingestelde incidenteel cassatieberoep.
Het principaal beroep
13. Het middel richt zich in al zijn onderdelen tegen hetgeen het Hof heeft overwogen en beslist in r.o. 4.3 ten aanzien van de door [eiser] voorgedragen grief III tegen het vonnis van de Rechtbank.
14. Niet bestreden in cassatie wordt hetgeen het Hof heeft overwogen en beslist in r.o. 4.4 met betrekking tot grief IV. Deze grief was gericht tegen de hierboven onder 5 aangehaalde r.o. 7.3 van de Rechtbank. In de toelichting op grief IV bracht [eiser] onder meer naar voren dat, indien de polis de bepaling bevat dat geen basisinstructie onder de dekking valt (ab initio), dit uitsluitend geldt voor derden, doch niet voor hemzelf. NLP heeft grief IV bestreden en - onder verwijzing naar haar reeds in eerste aanleg aangevoerde stellingen - gesteld dat lesvluchten voor basisinstructie niet gedekt zijn onder de polis, ook niet wanneer [eiser] de lesvluchten zou uitvoeren.
15. Het Hof heeft grief IV verworpen en heeft dienaangaande geheel overgenomen hetgeen door de Rechtbank in r.o. 7.3 van haar vonnis is overwogen. De Rechtbank heeft daar onder meer overwogen dat, anders dan [eiser] meent, noch uit de offerte en de aantekeningen daarop, noch uit de polis volgt dat er wel dekking voor basisinstructie zou bestaan wanneer [eiser] de lesvluchten zou uitvoeren.
16. Waar onbestreden in cassatie vast staat dat [eiser] op het moment van het vliegongeval onder leiding van een vlieginstructeur met het vliegtuig een lesvlucht uitvoerde ter verkrijging van zijn vliegbrevet en deze instructie moet worden aangemerkt als ab initio-instructie, d.w.z. basisinstructie die nodig is voor het behalen van het vliegbrevet (vgl. de door het Hof onderschreven r.o. 7.3 van het vonnis van de Rechtbank), dient, nu het Hof - in cassatie onbestreden - grief IV heeft verworpen en heeft overgenomen het oordeel van de Rechtbank dat ab initio-instructie, ook wanneer deze wordt verleend aan [eiser], niet onder de dekking valt, in cassatie uitgangspunt te zijn dat de schade die uit het onderhavige ongeval is voortgevloeid niet onder de dekking van de tussen Horizon en NLP gesloten verzekeringsovereenkomst valt.
17. Dit zo zijnde, kan het middel, dat zich beklaagt over 's Hofs oordeel dat NLP zich terecht heeft beroepen op art. 251 K, reeds wegens gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Immers, ook indien het door het middel bestreden oordeel van het Hof in cassatie geen stand zou kunnen houden, zal de rechter na verwijzing, gebonden als hij is aan het in cassatie niet bestreden oordeel van het Hof dat geen dekking onder de polis bestond voor de uit het onderhavige ongeval voortgevloeide schade, niet anders kunnen oordelen dan dat het hoger beroep van [eiser] tegen het vonnis van de Rechtbank tevergeefs is ingesteld aangezien de vordering van [eiser] tegen NLP in haar beide onderdelen afgewezen dient te worden: de vordering tot schadevergoeding omdat de polis geen recht op uitkering van de gestelde schade biedt; en de vordering tot een verklaring voor recht omdat het daartoe vereiste belang geacht moet worden aan deze vordering te zijn ontvallen, nu de vordering tot schadevergoeding niet kan worden toegewezen. Vgl. HR 30 maart 1951, NJ 1952, 29 nt. Ph.A.N. Houwing en HR 3 januari 1992, NJ 1994, 627; zie voorts de conclusie van A-G De Vries Lentsch-Kostense onder 8 voor HR 23 juni 1995, NJ 1996, 216 nt. WMK en de conclusie van A-G Wesseling-van Gent onder 2.4 t/m 2.18 voor HR 15 juni 2001, nr. C99/203, n.g. in NJ.
18. Ten overvloede teken ik aan dat het door [eiser] voorgestelde middel naar mijn oordeel ongegrond is.
19. Centraal in het middel (onderdeel 2 t/m 5) staat de klacht dat het Hof niet in zijn beoordeling heeft betrokken de stelling van [eiser] dat de dwaling van NLP omtrent het feit dat [eiser] niet over een brevet beschikte, gelet op de omstandigheden van het geval, voor rekening van NLP behoort te blijven, althans dat het Hof, indien het de stelling van [eiser] heeft verworpen, zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd en is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.
20. Deze klacht faalt, omdat zij miskent dat het Hof - onbestreden in cassatie - als vaststaand heeft aangenomen dat [A] handelde in opdracht van Horizon en voorts heeft geoordeeld dat de dwaling van NLP omtrent het feit dat [eiser] niet over een brevet beschikte is toe te schrijven aan de onzorgvuldigheid van [A]. Uitgaande van deze oordelen is onjuist, noch onbegrijpelijk dat het Hof de bedoelde stelling van [eiser] heeft verworpen. De fouten van een tussenpersoon die als hulppersoon van de verzekeringnemer moet worden beschouwd, worden aan de verzekeringnemer toegerekend. Vgl. H.J. Scheltema, Algemeen deel van het schadeverzekeringsrecht, 5e dr. bew. door F.H.J. Mijnssen, 1998, blz. 118/119, en Asser-Clausing-Wansink, 5-VI, De verzekeringsovereenkomst, 1998, nr. 49. Zie voorts F.R. Salomons, Toerekening van fouten van onafhankelijke tussenpersonen in het verzekeringsrecht, Het Verzekerings-Archief 1989, blz. 227 e.v.
21. De motiveringsklacht van onderdeel 1 faalt wegens gebrek aan belang. Waar het Hof heeft beslist dat de dwaling van NLP is toe te schrijven aan een aan [eiser] toe te rekenen onzorgvuldigheid van [A], kan aan het oordeel van het Hof dat het beroep van NLP op art. 251 K doel treft, niet afdoen op welk moment [eiser] wist dat [A] het standaard aanvraagformulier van NLP niet gebruikte.
Het incidenteel beroep
22. Nu de voorwaarde waaronder het incidenteel cassatieberoep is ingesteld niet is vervuld, behoeft dit beroep geen behandeling.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het principaal beroep.