ECLI:NL:PHR:2003:AF3059

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 april 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C01/232HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing verbod op verstrekken ongunstige informatie wegens ontbreken spoedeisend belang

In deze zaak vorderden eiseressen in een kort geding dat verweerder werd verboden om ongunstige informatie over hen te verspreiden, onder bedreiging van een dwangsom. Deze vordering was gebaseerd op de stelling dat verweerder hen voortdurend in een kwaad daglicht stelde met onware en schadelijke mededelingen.

De President van de Rechtbank te Breda wees de vordering af omdat niet aannemelijk was dat de mededelingen onwaar of beledigend waren. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch bekrachtigde dit vonnis en stelde vast dat er geen sprake was van een spoedeisend belang voor de gevraagde voorziening, mede omdat verweerder in de afgelopen anderhalf jaar geen relevante handelingen had verricht.

Eiseressen kwamen tegen dit arrest in cassatie, stellende dat het hof een onjuiste bewijslastverdeling hanteerde en het begrip stalking verkeerd interpreteerde. De Hoge Raad verwierp deze klachten, overwegende dat het hof zich niet over de bewijslast had uitgesproken en dat het oordeel over de inhoud van de mededelingen een aan het hof voorbehouden feitelijke beoordeling betrof die in cassatie niet kan worden bestreden.

De Hoge Raad bevestigde daarmee het oordeel dat geen aanleiding bestond voor het gevorderde verbod, omdat een spoedeisend belang ontbrak en de mededelingen niet onwaar of beledigend waren. Het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verbod op het verstrekken van ongunstige informatie wordt afgewezen.

Conclusie

Rolnr. C01/232HR
Mr L. Strikwerda
Zt. 24 jan. 2003
conclusie inzake
1. [eiseres 1]
2. European Consult Center B.V.B.A
3. European Consult Center Group B.V.B.A.
tegen
[verweerder]
Edelhoogachtbaar College,
1. Tussen thans verweerder in cassatie, hierna: [verweerder], en thans eiseres tot cassatie sub 1, hierna: [eiseres 1], heeft een zakelijke en affectieve relatie bestaan. [eiseres 1] is zaakvoerster van eiseressen tot cassatie sub 2 en 3, twee vennootschappen naar Belgisch recht. Zowel de persoonlijke relatie tussen [eiseres 1] en [verweerder], als de zakelijke betrokkenheid van [verweerder] bij de vennootschappen is in 1997 geëindigd. Met betrekking tot beide relaties waren eind 1999 in België procedures aanhangig die, naar zich toen liet aanzien, nog geruime tijd zouden voortduren.
2. In het onderhavige, bij dagvaarding van 2 december 1999 voor de President van de Rechtbank te Breda ingeleide kort geding hebben [eiseressen] gevorderd dat [verweerder] wordt verboden enige ongunstige informatie over [eiseressen] of één van hen te verstrekken, van welke aard dan ook en tegenover wie dan ook, hetzij direct hetzij indirect, hetzij mondeling hetzij schriftelijk, hetzij persoonlijk hetzij via een derde, zulks op straffe van een dwangsom.
3. [Eiseressen] hebben hun vordering gebaseerd op de stelling dat [verweerder] hen, en dan met name [eiseres 1], voortdurend in een kwaad daglicht stelt door onware mededelingen over hen te doen en zich in ongunstige zin over hen uit te laten, waardoor zij in hun goede naam worden aangetast en tevens schade lijden. Ter onderbouwing van hun stellingen hebben [eiseressen] faxen, brieven e.d. overgelegd.
4. [Verweerder] heeft de vordering van [eiseressen] bestreden. Hij betwist dat zijn faxen, brieven e.d. onware en/of voor [eiseressen] belastende opmerkingen bevatten of dat hij zich anderszins ten opzichte van [eiseressen] onoorbaar of onrechtmatig heeft uitgelaten.
5. Bij vonnis van 23 december 1999 heeft de President de gevorderde voorziening geweigerd. Naar zijn oordeel is niet aannemelijk geworden dat de door [eiseressen] overgelegde faxen en brieven onware dan wel voor [eiseressen] belastende mededelingen bevatten en is evenmin aannemelijk geworden dat [verweerder] zich anderszins beledigend of kwetsend over [eiseressen] heeft uitgelaten.
6. [Eiseressen] zijn van het vonnis van de President in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, doch tevergeefs: bij arrest van 3 juli 2001 het vonnis van de President bekrachtigd. Daartoe overwoog het Hof onder meer (r.o. 4.3):
"Het hof stelt vast dat uit hetgeen [eiseres 1] naar voren heeft gebracht niet blijkt van enige handeling van [verweerder] in de afgelopen anderhalf jaar die op enigerlei wijze verband houdt met datgene waarop de gevraagde voorziening betrekking heeft, te weten een verbod op het verstrekken van ongunstige informatie over [eiseres 1]. Hetgeen zij over die periode wel naar voren brengt houdt geen verband met het verstrekken van dergelijke informatie, zodat deze mededelingen niet relevant zijn voor dit geding.
Bij deze stand van zaken is er op dit moment geen enkele aanleiding voor een voorziening zoals gevorderd, terwijl het hof ook geen reden heeft om aan te nemen dat eind 1999, ten tijde van de behandeling van dit kort geding in eerste aanleg, wel een dergelijke voorziening noodzakelijk was."
7. [Eiseressen] zijn tegen het arrest van het Hof (tijdig) in cassatie gekomen met twee middelen die door [verweerder] zijn bestreden met conclusie tot verwerping van het cassatieberoep.
8. Middel I neemt met twee klachten stelling tegen de zojuist aangehaalde rechtsoverweging van het Hof.
9. Het middel beklaagt zich in de eerste plaats erover dat het Hof in de eerste alinea van de aangevallen rechtsoverweging is uitgegaan van een onjuiste bewijslastverdeling. Het Hof zou, door de bewijslast voor de onrechtmatigheid van het gedrag van [verweerder] nadrukkelijk bij [eiseressen] te leggen, hebben miskend dat - zo begrijp ik het middel - in een geval als het onderhavige, waarin het gaat om "stalking", de eisende partij in een moeilijke bewijspostie verkeert en dat daarom de bewijslast op de gedaagde partij behoort te worden afgewenteld.
10. De klacht berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest en moet daarom reeds wegens gebrek aan belang falen. Het Hof heeft niet geoordeeld dat voor een voorziening als gevraagd geen plaats is omdat [eiseressen] hun stellingen niet zouden hebben bewezen of aannemelijk gemaakt, maar omdat een (spoedeisend) belang bij de gevraagde voorziening ontbreekt, nu uit hetgeen [eiseressen] naar voren hebben gebracht niet blijkt van enige handeling van [verweerder] in de afgelopen anderhalf jaar die op enigerlei wijze verband houdt met datgene waarop die voorziening betrekking heeft. Over de bewijslast met betrekking tot de door [eiseressen] gestelde feiten heeft het Hof zich niet uitgelaten.
11. Als tweede klacht voert middel I aan dat hetgeen het Hof in de tweede alinea van de aangehaalde r.o. 4.3 heeft overwogen en beslist zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is, omdat uit de gedingstukken genoegzaam blijkt van een voortdurend en opzettelijk lastig vallen van [eiseres 1] door [verweerder] en van het zonder goede reden benaderen van klanten en relaties van [eiseressen]
12. Ook deze klacht zal niet tot cassatie kunnen leiden. Het Hof heeft kennelijk, evenals de President in eerste aanleg, geoordeeld dat de door [eiseressen] overgelegde faxen en brieven geen onware dan wel voor [eiseressen] belastende mededelingen bevatten en dat [verweerder] zich ook anderszins niet beledigend of kwetsend over [eiseressen] heeft uitgelaten. Dit oordeel berust op een aan het Hof voorbehouden uitleg van de gedingstukken en de daartoe behorende producties en kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden met de stelling dat het tegendeel van wat het Hof heeft geoordeeld waar is.
13. Middel II klaagt dat het Hof een onjuiste invulling heeft gegeven aan het begrip "stalking" ("belaging" in de zin van art. 285b Sr). De klacht neemt tot uitgangspunt dat "uit de overgelegde producties zonder meer (blijkt) hoezeer intensief en daarnaast geraffineerd verweerder eisers het leven zuur maakte" en dat "de uitleg die verweerder tijdens de afgelopen procedure heeft gegeven nauwelijks een behoorlijk weerwoord (kan) worden genoemd".
14. Het uitgangspunt waarop het middel berust, vindt geen steun in het bestreden arrest. Het Hof heeft niet vastgesteld dat [verweerder] [eiseressen] intensief en geraffineerd het leven heeft zuur gemaakt; het Hof heeft, integendeel, niet aannemelijk geoordeeld dat [verweerder] zich heeft schuldig gemaakt aan het doen van onware dan wel voor [eiseressen] belastende mededelingen of dat [verweerder] zich anderszins beledigend of kwetsend over [eiseressen] heeft uitgelaten. Hierop stuit het middel af.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,