ECLI:NL:PHR:2003:AF2847
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid van hypotheekgever tot ontbinding van veilingkoop na toewijzing ter veiling
In deze civiele zaak staat centraal of een hypotheekgever, die zijn schuld aan de executerende hypotheekhouder voldoet ná de toewijzing ter veiling maar vóór levering, bevoegd is de veilingkoop te ontbinden indien de veilingkoper in verzuim is met betaling. De Rabobanken hadden het perceel openbaar verkocht wegens wanbetaling van de hypotheekgever, waarna de veilingkoper het perceel had toegewezen gekregen. Nadat de hypotheekgever zijn schuld had voldaan, stelde hij dat hij het recht had de koop te ontbinden omdat de koper in gebreke bleef.
De rechtbank en het hof oordeelden dat het wettelijke stelsel, met name art. 3:269 BW Pro en de artikelen 527 e.v. Rv., bepaalt dat betaling tot het tijdstip van toewijzing ter veiling kan leiden tot voorkoming van de verkoop, maar na dat tijdstip niet meer. De bevoegdheid tot ontbinding van de koopovereenkomst ligt uitsluitend bij de executerende hypotheekhouder (de Rabobanken) en niet bij de hypotheekgever zelf. De betaling van de schuld door de hypotheekgever na toewijzing leidt niet tot overgang van rechten op ontbinding.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep af. Ook redelijkheid en billijkheid bieden geen grondslag voor een eigen ontbindingsbevoegdheid van de hypotheekgever. De veilingkoper heeft een rechtsgeldig recht op levering, ook indien hij in gebreke blijft met betaling. De Rabobanken kunnen de koop ontbinden of herverkopen, maar de hypotheekgever zelf niet. Hiermee wordt de rechtszekerheid en het wettelijke stelsel van executoriale verkoop gewaarborgd.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat de hypotheekgever na toewijzing ter veiling niet bevoegd is de veilingkoop te ontbinden, ook niet bij betaling van zijn schuld en verzuim van de koper.