AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Aansprakelijkheid bij valselijk afgegeven cognossementen en derdenbescherming in documentair krediet
In deze zaak kocht Meister een partij aluminium ladders van een Koreaanse leverancier, Seda. De goederen werden verscheept onder zogenoemde "on board" cognossementen, die echter valselijk waren afgegeven door een ontrouwe werknemer van Damco's agente in Korea. Meister ontving slechts een deel van de goederen en vorderde schadevergoeding van Damco wegens niet-uitlevering en onrechtmatige daad.
De Hoge Raad bevestigt dat cognossementen waardepapieren zijn die derdenbescherming genieten en dat de vervoerder gebonden is aan de bedingen uit het cognossement. De bescherming van bona fide verkrijgers is echter niet onbeperkt; indien een cognossement zonder volmacht is afgegeven, kan de vervoerder zich hierop beroepen. Het hof oordeelde dat Damco aansprakelijk is omdat de volmacht voor het afgeven van de cognossementen niet beperkt was en dat de fouten van de agente aan Damco toerekenbaar zijn.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat de bank van Meister, die de documenten accepteerde en betaalde, niet als hulppersoon van Meister kan worden aangemerkt en dat haar handelen niet aan Meister kan worden toegerekend als eigen schuld. Ook het beroep van Damco op art. 8:388 BWPro, dat de vervoerder beschermt tegen verkeerde vermeldingen door de afzender, faalt omdat Damco wist van de onjuistheden.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de aansprakelijkheid van Damco voor de schade veroorzaakt door de valse cognossementen en de onrechtmatige daad van haar agente, waarbij de bescherming van bona fide derden in het handelsverkeer wordt gewaarborgd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de aansprakelijkheid van Damco voor de schade door de valse cognossementen.
Conclusie
Zaaknr. C01/223HR
Mr. Huydecoper
Zitting van 3 januari 2003
Conclusie inzake
Damco Maritime International B.V.,
eiseres tot cassatie
tegen
Meister Werkzeuge Werkzeug-fabrik GmbH,
verweerster in cassatie
Feiten en procesverloop
1) Het is geen uitzondering dat de rechtsstrijd in civiele procedures associaties oproept met het gezelschapsspelletje "Zwarte Pieten"; maar deze zaak doet dat in sterkere mate dan men vaak zal ervaren. De (aanzienlijke) schade waarover partijen procederen kan (vrijwel alleen) op rekening worden geschreven van derden met wie de procespartijen meer of minder nauwe of juist efemere verbindingen onderhouden; en de vraag die in cassatie wordt voorgelegd komt er op neer, welke van de betreffende, over zulke verbindingen lopende toerekeningsfactoren tenslotte méér dan de andere factoren rechtvaardigt dat de schade, zoals de zwarte speelkaart in het genoemde spelletje, aan de ene dan wel de andere partij wordt "toegespeeld".
2) De feiten waardoor die vraag gesteld moest worden, zijn door het hof in het bestreden arrest in de rov. 1.1 - 1.3 vermeld, met verwijzing naar door de rechtbank in eerste aanleg in rov. 2 gedane vaststellingen. Ik geef een samenvatting als volgt:
3) De verweerster in cassatie, Meister, heeft in 1995 een grote partij goederen (namelijk: aluminium ladders) gekocht van een Koreaanse leverancier, Seda. Voor deze goederen zijn door Eastern, de agente voor de eiseres tot cassatie Damco in Korea, (drie) zgn. "on board"-cognossementen(1) afgegeven.
In werkelijkheid was maar een klein deel van de goederen aan boord van de aangewezen schepen geladen. Dat zou daardoor komen, dat (ontrouwe werknemers van) Seda een ontrouwe werknemer van Eastern had(den) verleid om de cognossementen valselijk op te maken, terwijl de betrokkenen wisten dat er geen volgens het betreffende cognossement verladen goederen verscheept waren.
4) De documenten betreffende deze zending(en) zijn vervolgens aan de door Meister ingeschakelde Duitse bankier aangeboden. Ofschoon de documenten niet in alle opzichten voldeden aan de in het kader van het door Meister gestelde documentair krediet geldende eisen, zou de bankier die toch hebben aanvaard en de goederen aan Seda hebben betaald.
Vervolgens is één cognossement aan een door Meister ingeschakelde Nederlandse expediteur geëndosserd. Deze heeft de partij goederen die wèl verscheept was van Damco in ontvangst genomen - maar de uit deze partij ontbrekende goederen uiteraard niet. Onder de twee andere cognossementen die door de bank aan Meister waren geleverd, blijken in het geheel geen goederen verscheept te zijn (en zijn dus natuurlijk ook geen goederen door Damco aan Meister afgegeven).
5) Dat is, zeer in het kort, de feitelijke context waarin Meister Damco heeft aangesproken tot schadevergoeding wegens niet-uitlevering van de goederen onder de twee cognossementen die in handen van Meister waren, en wegens onrechtmatige daad terzake van het niet uitgeleverde deel van de goederen onder het derde, aan Meisters expediteur overgedragen cognossement.
Ontdaan van de juridische geleerdheid die in deze zaak ten toon is gespreid, roept dat allicht de vraag op of het redelijk is dat Damco de schade draagt, nu het "haar" agent is die (schromelijk) tekort is geschoten; of dat Meister de schade draagt, nu zowel "haar" leverancier Seda als "haar" bankier in ruimere of minder ruime mate tekort (zouden) zijn geschoten; dan wel of de toerekeningsfactoren zich zo verhouden dat een verdeling van de schade in aanmerking komt (een verbijzondering die bij het gezelschapsspel "Zwarte Pieten" niet voorkomt).
6) Zowel rechtbank als hof zijn tot de slotsom gekomen dat (uit de wet voortvloeit dat) de hele schade aan Damco moet worden toegerekend. Damco bestrijdt dat oordeel in cassatie; Meister verdedigt dat oordeel. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.
Bespreking van de cassatiemiddelen
7) Bij de bespreking van de cassatiemiddelen stel ik voorop dat zowel rechtbank als hof, kennelijk naar aanleiding van uitlatingen bij pleidooi in eerste aanleg(2), ervan uit zijn gegaan dat alle aspecten van de onderhavige zaak naar Nederlands recht beoordeeld moeten worden. Daarvan moet dus ook in cassatie worden uitgegaan.
8) In alinea 5 hiervóór veroorloofde ik mij een opmerking over deze zaak "ontdaan van ...juridische geleerdheid". Intussen is de zaak natuurlijk niet van die geleerdheid ontdaan, en mag men ook niet aan die geleerdheid - die, men versta mij niet verkeerd, van grote waarde is - voorbijgaan.
Bij de toetsing aan de rechtsgeleerde argumenten die in deze zaak zijn aangedragen, kom ik tot de bevinding dat de aanknopingspunten uit de wet, de rechtspraak en de doctrine voor de beoordeling van de toerekeningsfactoren die ik in alinea 5 heel summier de revue liet passeren, belangrijke verschillen vertonen. Desondanks gaat het per saldo wel degelijk telkens om wegingsfactoren waarmee wordt "gemikt op" een beoordeling van toerekening aan de hand van dezelfde, of van zeer overeenkomstige uitgangspunten.
Aansprakelijkheid van de vervoerder uit hoofde van een ordercognossement
9) Ordercognossementen(3) zijn door of vanwege een vervoerder afgegeven documenten, die een vierledige functie vervullen:
- zij dienen als ontvangstbewijs, doordat zij aangeven dat de vervoerder bepaalde op het cognossement vermelde goederen ten vervoer heeft ontvangen of heeft ingeladen;
- zij bevatten gewoonlijk aanwijzingen voor de inhoud van de vervoerovereenkomst, al dan niet door verwijzing naar de condities van die overeenkomst en andere stukken;
- zij functioneren als het stuk waarmee de tot ontvangst van de verzonden goederen gerechtigde partij zich ten opzichte van de vervoerder moet legitimeren om uitlevering van de goederen te verkrijgen, en
- zij functioneren, mede door de zojuist als derde vermelde hoedanigheid, als "belichaming" van de verzonden goederen, in die zin dat overdracht van het cognossement niet alleen een legitimatie verschaft voor afgifte van de goederen op de plaats van ontvangst, maar de houder ook daadwerkelijk tot rechthebbende met betrekking tot die goederen kan maken (dus: een goederenrechtelijke titel m.b.t. de goederen kan verschaffen)(4).
10) Cognossementen zijn (dan ook) waardepapieren, in die zin dat het document zelf drager van rechten (en verplichtingen) is, en los van de rechtsverhoudingen waarbinnen het document is opgemaakt en afgegeven, rechten (en verplichtingen) vertegenwoordigt.
Zoals voor waardepapieren in het algemeen geldt, geldt ook voor cognossementen dat aan de bescherming van derden die te goeder trouw rechten ten aanzien van het document hebben verworven, aanzienlijk gewicht wordt toegekend. En inderdaad is de bescherming van de bona fide verkrijger van een dergelijk document een gegeven dat zich zowel als bij uitstek billijk aandient, alsook als essentieel met het oog op de eisen van het handelsverkeer.
11) Wat dat laatste betreft is de onderhavige zaak illustratief: die laat zien hoe het cognossement, onder andere, zijn "sleutel"rol speelt in het (internationale) krediet- en betalingsverkeer.
Kredietverlening ten aanzien van handelstransacties wordt in veel gevallen bewerkstelligd doordat de kredietgever met het cognossement als onderpand krediet verstrekt; en betaling wordt, zoals dat ook in de onderhavige zaak is gebeurd, vaak geregeld doordat een bank op vertoon van (documenten, waaronder in de eerste plaats) het cognossement, de leverancier (verlader van de betreffende goederen) betaalt.
Beide systemen kunnen alleen functioneren als er redelijkerwijs op kan worden vertrouwd dat het cognossement inderdaad de goederen "belichaamt" die daarin zijn vermeld - dwz. dat degene die over het cognossement beschikt, en in vertrouwen daarop krediet verschaft of betalingen verricht, erop mag rekenen dat hij daarmee ook over de aangegeven goederen kan beschikken(5).
De belangrijkste regel voor de bescherming van de (derde-)cognossementshouder is wat betreft het Nederlandse recht te vinden in art. 8: 441 lid 2 BW: de vervoerder is jegens die houder aan de bedingen uit het cognossement gebonden. Omgekeerd geldt dus dat de derde de vervoerder aan die bedingen mag houden, en daar als bindend op mag vertrouwen. De goede trouw van de derde wordt nader beschermd door art. 8:414 BWPro, waarin o.a. tegenbewijs tegen een cognossement ten opzichte van bona fide derde-houders wordt uitgesloten.
12) Daarmee is tevens gegeven dat op de vervoerder die - al dan niet door tussenkomst van een tussenpersoon - een cognossement afgeeft, een dienovereenkomstige verantwoordelijkheid komt te rusten, en dat niet te gemakkelijk mag worden aangenomen dat de vervoerder zich daaraan kan onttrekken. De vervoerder brengt daarmee een gegeven tot stand dat bij uitstek als voorwerp van beschermenswaardig vertrouwen dient, terwijl met de bescherming van dat vertrouwen - naast de "gewone" billijkheid - aanzienlijke maatschappelijke belangen gemoeid zijn. Over het afgeven van een "vals" cognossement, door of namens een vervoerder, mag daarom niet licht worden gedacht. Het ligt in de rede om ten aanzien van een dergelijk cognossement de derdenbescherming een hoge mate van prioriteit te geven.
Het cassatiemiddel
13) Intussen wordt namens Damco in het kader van onderdeel 1 van het cassatiemiddel met recht aangevoerd dat de bescherming van de derde-houder te goeder trouw van een cognossement niet onbeperkt is. Als een cognossement ten laste van een vervoerder is afgegeven zonder dat degeen die dat deed daartoe door de vervoerder gemachtigd was, kan de vervoerder zich erop beroepen dat hij niet, op de overigens door art. 8: 441 lid 2 BW aangegeven voet, door het cognossement gebonden is. Ook die regel dringt zich overigens op. Hoezeer de eisen van het verkeer en van de billijkheid ook tot bescherming van bona fide derden mogen aanzetten, het gaat niet aan daarvoor ook iemand aansprakelijk te stellen die aan de betreffende zaak part noch deel heeft.
Op deze regel heeft Damco in deze zaak dan ook een beroep gedaan. De cognossementen in kwestie zijn immers - naar in cassatie mag worden aangenomen - afgegeven terwijl de betrokken werknemer van Damco's agente wist dat de in de stukken opgenomen verklaringen vals waren; dáárvoor, aldus Damco, had haar agente in Korea allicht geen machtiging.
14) Een vraag die ik mij bij de beoordeling van dit argument moet stellen is, hoe de daardoor bestreden overweging van het hof, rov. 2.2, moet worden begrepen. Ligt aan die overweging een rechtsoordeel ten grondslag, of gaat het om een overwegend feitelijke beoordeling van de inhoud van de aan Damco's agente verstrekte volmacht?
Hoewel de beschouwingen van het hof ruimte laten voor enige twijfel, denk ik dat de laatstgenoemde lezing de juiste is. Het hof heeft het "gewoon" onaannemelijk geoordeeld dat de door Damco verstrekte volmacht(6) de beperking inhield waarop namens Damco een beroep is gedaan.
15) Op het eerste gezicht is men misschien geneigd die beoordeling als implausibel aan te merken: het kan toch niet zo zijn dat Damco's volmacht ertoe strekte, het afgeven van "valse" cognossementen toe te laten? Maar bij nadere overweging is voor de uitleg die, in mijn lezing van het bestreden arrest, door het hof is aanvaard wel het nodige te zeggen.
Het hof wijst er immers terecht op dat de wet rekening houdt met de mogelijkheid dat een cognossement onjuistheden bevat; en het ligt in de rede dat ook bij het afgeven van een volmacht (impliciet) met die mogelijkheid rekening wordt gehouden. Zulke onjuistheden kunnen worden veroorzaakt door bona fide ontstane fouten of misverstanden, maar ook door opzettelijke fouten, bijvoorbeeld van mala fide "lagere" medewerkers van de betrokkenen - en door een heel scala van meer of minder grove verzuimen tussen deze uitersten in. Bij gebreke van nadere precisering van de volmacht, valt het niet gemakkelijk om aan te geven waar de volmachtgever de grens tussen wèl onder de volmacht begrepen fouten en andere, buiten de volmacht vallende fouten heeft willen trekken. De uitleg van het hof die er - ik herhaal: in mijn lezing van het arrest - op neer komt dat ervan uit gegaan mag worden dat in dit opzicht géén beperking is beoogd, en dat Damco als volmachtgever de kwade kansen van fouten aan de kant van de gevolmachtigde (uiteraard: onverminderd haar verhaal op deze) zonder uitzonderingen voor haar risico heeft genomen, is vanuit dat perspectief bezien goed verdedigbaar.
16) In deze lezing van het bestreden arrest beoordeel ik onderdeel 1 van het middel dus als ongegrond. De - feitelijke - uitleg van het hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, en de daarvoor gegeven motivering is steekhoudend.
(Ik merk en passant op dat het argument dat in de schriftelijke toelichting namens Damco (alinea 3.2.3 e.v.) wordt ontleend aan de tekst van art. 8:399 lid 1 BWPro, geen hout snijdt: uit die tekst volgt dat de vervoerder (resp. diens agent) pas na ontvangst van de te verschepen zaken tot afgifte van een cognossement verplicht is/zijn - en niet dat het eerder afgeven van een cognossement rechtens onmogelijk of ongeoorloofd zou zijn.)
17) Ik houd intussen rekening met de mogelijkheid dat het hof zich in de hier bestreden rechtsoverweging wel heeft laten leiden door een bepaalde rechtsopvatting met betrekking tot de derdenbescherming waarop derden-houders van een cognossement aanspraak mogen maken; en wel een opvatting die er zo ongeveer op neer komt dat tegen die derden-houders geen beroep kan worden gedaan op voor hen niet kenbare beperkingen in een overigens wèl verstrekte volmacht, aan een agent die zich als zodanig presenteert (en zich dus legitiem als zodanig mag presenteren).
Gezien het feit dat de wet - namelijk art. 8: 462, eerste lid BW - specifiek aangeeft dat een vervoerder zich er wel op mag beroepen dat een op zijn naam uitgegeven cognossement met overschrijding van de daartoe gegeven volmacht is afgegeven, moet het hier veronderstelde oordeel van het hof wel berusten op de gedachte dat wie een agent aanstelt daarmee in het algemeen de schijn wekt dat die agent bevoegd is tot datgene wat gewoonlijk binnen de kring van bevoegdheden van een dergelijke tussenpersoon valt; en dat overschrijding van de concreet verstrekte volmacht door een voor derden als zodanig kenbare agent (en zonder dat die derden kunnen weten dat van een dergelijke overschrijding sprake is) daarom op de voet van het slot van art. 8: 462, eerste lid BW aan de vervoerder mag worden toegerekend(7).
18) Voor de hier veronderstelde gedachte valt steun te vinden bij die rechtsbronnen waarin het feit dat een onregelmatigheid met betrekking tot een waardepapier is begaan door iemand die door de uitgever van dat waardepapier is aangesteld of ingeschakeld, in beginsel als toerekenbaar aan de "uitgever" wordt aangemerkt. Een in de literatuur met enige regelmaat genoemd voorbeeld is dat van de bewaarnemer of vertrouwensman, die in strijd met de hem verleende opdracht een onder zijn berusting gelaten waardepapier aan een derde te goeder trouw doorgeeft(8). Het verschil tussen deze vertrouwensman/bewaarnemer enerzijds en de vertegenwoordiger die zijn bevoegdheid overschrijdt anderzijds, is subtiel. In beide gevallen is verdedigbaar dat het risico dat waardepapier anders dan door de principaal beoogd in handen van derden raakt, aan de principaal mag worden toegerekend(9),(10).
Daartegenover staat natuurlijk dat aanvaarding van deze gedachte, althans als het om cognossementen gaat, voor de in art. 8:462 lid 1 BWPro gegeven regel nog maar een beperkt toepassingsgebied laat - namelijk alleen voor die gevallen van bevoegdheidsoverschrijding waarbij het gaat om een vertegenwoordiger die (weliswaar als zodanig is aangesteld maar) voor derden niet als vertegenwoordiger van de principaal kenbaar is(11).
19) Is er nu aanleiding voor bijstelling van de hiervóór verdedigde uitgangspunten in die zin, dat de derde-houder van een waardepapier zich niet op bescherming van zijn goede trouw kan beroepen wanneer zijn (rechts)positie mede is verkregen door fouten van een andere betrokkene, wiens doen of nalaten speciaal tot zijn risicosfeer moet worden gerekend (in vergelijkbare mate als waarin, in de hiervóór besproken rechtsbronnen, het doen of nalaten van de vertegenwoordiger, bewaarnemer, vertrouwenspersoon e.t.q. aan degeen voor wiens rekening een waardepapier in omloop was gebracht, werd toegerekend)?
Om de zojuist in abstracte termen gegeven - en daardoor niet optimaal duidelijke - formulering begrijpelijker te maken: in de onderhavige zaak is, afgaand op de stellingen van partijen en de vaststellingen van de rechters in de feitelijke instanties, een van de in het oog lopende oorzaken van de schade waarover de partijen strijden, dat Meister door degene van welke zij de in geding zijnde goederen had gekocht, namelijk Seda, is bedrogen. Deze onbetrouwbare verkoper heeft ook, blijkens de genoemde bronnen, een wezenlijke rol gespeeld bij de totstandkoming van de "valse" cognossementen waaronder Meister Damco aanspreekt.
20) De in alinea 19 zo abstract geformuleerde vraag wordt dus, voor dit concrete geval: staat het feit dat Meister in vertrouwen op een onbetrouwbare contractspartner/verkoper is afgegaan (en daardoor is bedrogen) er (niet) aan in de weg dat Meister zich erop beroept dat zij mocht vertrouwen op de bevoegdheid van Damco's agente? Of mag de kwade trouw van de verkoopster (als risicofactor) worden toegerekend aan Meister, en aldus als beletsel fungeren voor een beroep, aan de kant van Meister, op de positie van bona fide benadeelde derde?
21) Ik denk dat het antwoord op de zo-even geformuleerde vraag "nee" moet zijn. Ik denk ook dat het hier in wezen gaat om (een variant van) dezelfde vraag die aanstonds bij de beoordeling van Damco's beroep op art. 6:101 BWPro (onderdeel 3 van het middel) onder ogen zal moeten worden gezien. Aan het aldaar - in alinea's 26 t/m 40 hierna - besprokene valt in elk geval nog dit toe te voegen: (ook) bij de bescherming van derden-verkrijgers van waardepapieren wordt geen doorslaggevend gewicht toegekend aan het feit dat die verkrijgers, niet wezenlijk anders dan degene te wiens laste het waardepapier luidt, in de hiervóór onderzochte casusposities zijn "bedrogen" door de vertegenwoordiger, de bewaarnemer, de vertrouwensman etc. van wie zij (aangenomen dat zij verkrijger uit de eerste hand zijn) het betreffende stuk hebben verkregen, terwijl die vertegenwoordiger etc. daartoe niet bevoegd was. Het feit dat men heeft gecontracteerd met, en zijn vertrouwen heeft gegeven aan, een voorman die dat vertrouwen heeft beschaamd levert dus in het algemeen niet een "risico-" of "toerekenings"-factor op die aan een beroep op bescherming als bona fide verkrijger van een waardepapier in de weg staat. Dat is overigens ook (al) het geval bij de bescherming van de bona fide verkrijger van roerende zaken op de voet van art. 3:86 BWPro en daarmee vergelijkbare bepalingen: het risico dat de oorspronkelijke eigenaar nam door de zaak aan een onbetrouwbare houder in handen te geven weegt zwaarder dan het risico dat de (eerste) verkrijger zich op de hals haalde door zaken te doen met een achteraf onbetrouwbaar blijkende leverancier. De verantwoordelijkheid die men aanvaardt door eraan mee te werken dat waardepapier te zijnen laste in het verkeer komt, geeft de risicoverdeling in die context nog een extra accent, zodat de uitkomst in het nadeel van de partij die voor het uitgeven van het papier verantwoordelijk wordt gehouden, eens te meer valt te begrijpen.
Ik zie dus geen deugdelijke grond om daarover in de context van deze zaak, en aan de hand van de kwade trouw van Meisters verkoper, anders te denken.
22) Per saldo denk ik dat het hof, nog steeds afgaand op de eerder in alinea 17 "subsidiair" voor mogelijk gehouden lezing van het arrest, aan de hand van de hiervoor besproken (vuist)regels heeft kunnen oordelen dat het feit dat Damco nu eenmaal een agente in Korea had aangesteld, kon rechtvaardigen dat het doen en laten van die agente aan Damco werd toegerekend, ook als er in feite wèl van een overschrijding van de verleende volmacht sprake mocht zijn; en dat onderdeel 1 van het middel daarom ook bij deze lezing van het bestreden arrest niet op gaat.
23) Onderdeel 2 van het middel berust voor een deel op de (veronder)stelling dat het hof aansprakelijkheid van Damco heeft aangenomen voor een aan haar in Korea werkzame agente toerekenbare onrechtmatige daad, op de voet van art. 6:171 BWPro (en het onderdeel betwist dat daarvoor in deze zaak de ruimte bestond).
Ik geloof dat deze veronderstelling niet juist is. Ik zou denken dat het hof, overeenkomstig de daarvoor namens Meister aangedragen argumenten, de aansprakelijkheid van Damco voor de onrechtmatige handelwijze van haar agente heeft gebaseerd op de specifiek op het handelen van vertegenwoordigers toegesneden bepaling van art. 6:172 BWPro.
24) Met dit pas sedert 1992 geldende wetsartikel bestaat nog maar weinig ervaring(12). De beschikbare bronnen gaan er echter van uit dat het feit dat een vertegenwoordiger bij de totstandkoming van een transactie bedrog heeft gepleegd, binnen het bereik van deze bepaling valt(13). Het lijkt mij dus, dat ook de in deze zaak aan de agente van Damco toegerekende gedraging kon worden aangemerkt als een grondslag voor toerekening van aansprakelijkheid (aan Damco) op de voet van dit wetsartikel. Het middel bevat ook geen klacht waarin het tegendeel wordt verdedigd(14).
25) Daarnaast verdedigt het middelonderdeel (in subonderdeel a) nog de stelling, dat het feit dat de fout van de werknemer van Damco's agent aan die agent mag worden toegerekend nog niet impliceert dat Damco als principaal voor de gevolgen van die fout aansprakelijk is.
Ik meen, zoals uit het in de vorige alinea's besprokene bleek, dat het geen blijk geeft van onjuiste toepassing van art. 6:172 BWPro wanneer een als bedrog in het kader van werkzaamheden als agent te kwalificeren handelwijze die aan de agent mag worden toegerekend, tevens wordt aangemerkt als grondslag voor aansprakelijkheid van de principaal. De klacht dat het hof niet, of niet zonder nadere motivering tot dit oordeel mocht komen lijkt mij daarmee ongegrond.
26) Onderdeel 3 van het middel betreft het door Damco gedane beroep op art. 6:101 BWPro, dat Damco had gegrond op de stelling dat Meisters bankier tekort zou zijn geschoten bij de controle van de in het kader van het documentair krediet(15) aangeboden documenten, en ten onrechte aan de hand van die documenten aan de verkoopster heeft betaald.
27) Als men zich er rekenschap van probeert te geven waar er, in een systeem van documentair krediet, waarborgen zijn "ingebouwd" die de betrokkenen beschermen tegen al-dan-niet mala fide tekortschieten van de andere partij(en), dringt zich op dat dat vooral op twee plaatsen het geval is: namelijk ten eerste daar waar, door afgifte van het cognossement, de vervoerder - een niet rechtstreeks bij de betreffende goederentransactie betrokken partij - bevestigt dat hij de goederen (desnoods: "in apparent good order") heeft ontvangen en zal vervoeren (waarmee die vervoerder tevens verantwoordelijkheid voor de verdere gang van zaken met betrekking tot die goederen op zich neemt); en ten tweede daar waar, doordat de onder de overeenkomst voorgeschreven documenten aan de bankier worden gepresenteerd, wordt gecontroleerd of die documenten aan het overeengekomene beantwoorden. Die tweede stap, de controle door de bankier, waarborgt dat de verkoper/leverancier van betaling verzekerd is voordat de papieren die "zijn" goederen belichamen in de macht van de koper/afnemer komen, èn dat de koper/afnemer, als er namens hem wordt betaald, de zekerheid heeft dat hij de beschikking krijgt over documenten die hem aanspraak geven op de goederen, maar die ook overigens voldoen aan de met de transactie beoogde zekerheden.
28) Het document dat in het onderhavige geval volgens Damco"s stellingen niet in orde zou zijn geweest, was(16) een "certificate" van de "shipping agent" dat nadere gegevens moest inhouden omtrent de schepen waarmee de verkochte goederen werden verzonden, en de geplande reis van die schepen. Het betrof dus - ook hier - een document afkomstig van een niet rechtstreeks bij de koopovereenkomst betrokken derde, met van die derde afkomstige gegevens betreffende de uitvoering van de transactie.
29) Hoewel dat geen wet van Meden en Perzen is, mag toch als vuistregel worden gehanteerd, dat een document zoals zojuist summier omschreven een nadere verzekering kan opleveren dat de transactie daadwerkelijk verloopt zoals dat is overeengekomen, doordat de "shipping agent" heeft vastgesteld, dan wel voor zijn rekening neemt, dat de goederen waarvoor hij de bedoelde "certificates" afgeeft, zijn verscheept zoals dat in die "certificates" is vermeld(17).
Bovendien ligt het in de rede dat het voorschrijven, in de overeenkomst, dat een dergelijk "certificate" moet worden aangeboden, op zijn minst mede daardoor is ingegeven, dat aan deze nadere waarborg behoefte werd gevoeld.
Verder lijkt mij op de voorhand aannemelijk dat het document zoals dat volgens de stellingen van Damco wèl zou zijn aangeboden - namelijk een verklaring afkomstig van de verkoopster zèlf in plaats van van de "shipping agent", en bovendien niet inhoudende de volgens de overeenkomst vereiste gegevens(18) - bij lange na niet voldeed aan de condities van het documentair krediet, en wel op een punt dat niet op de voorhand als irrelevant terzijde kan worden gesteld.
30) In het verlengde daarvan geldt dan dat met het verzuim om te controleren of aan deze conditie uit de verkoopovereenkomst was voldaan, afbreuk kàn zijn gedaan aan een van de waarborgen waarin de overeenkomst voorzag, juist ter verzekering van correcte nakoming en ter voorkoming dat zonder voldoende zekerheid daarover, betaling zou worden vrijgegeven. Dat kàn weer aanleiding geven tot de niet dadelijk als onaannemelijk te verwerpen veronderstelling dat, wanneer de bank wèl de controle had toegepast die volgens Damco onder de condities van het onderhavige documentair krediet vereist was, zou zijn vastgesteld dat de documenten niet konden worden geaccepteerd en dat de betaling niet mocht worden uitgevoerd.
31) Als men deze weg vervolgt, leidt die ertoe dat het door Damco aan Meisters bankier gerichte verwijt een relevante causale bijdrage kan hebben geleverd aan de schade waarover partijen thans procederen. Het komt er immers per saldo op neer dat in de beide stadia waarin binnen een systeem van documentair krediet waarborgen zijn ingebouwd tegen (al dan niet mala fide) ongerechtigheden, de betreffende waarborg niet heeft gefunctioneerd - in het eerste stadium, doordat de afgegeven cognossementen niet, zoals door het systeem wordt bedoeld, overeenkwamen met de goederen zoals die werkelijk ten vervoer werden aangeboden, en in het tweede stadium doordat niet is onderzocht of de documenten ook de extra waarborg inhielden, die gelegen kan zijn in een van een derde - de "shipping agent" - afkomstig certificaat betreffende de verscheping van de goederen.
32) De klacht van dit middelonderdeel berust op twee pijlers: het hof zou ten onrechte de toerekenbaarheid van de fout van Meisters bank hebben beoordeeld aan de hand van de vraag of aan Meister terzake enig relevant verwijt kan worden gemaakt; en het feit dat de bank als hulppersoon/vertegenwoordigster van Meister optrad zou toerekening van de handelwijze van de bank aan Meister (ten titel van "eigen schuld" (19)) rechtvaardigen.
33) Van deze pijlers biedt de eerste althans in zoverre steun, dat voor de vraag of de gesties van de bank als "eigen schuld" aan Meister mogen worden toegerekend, niet doorslaggevend is, of in verband hiermee aan Meister een verwijt kan worden gemaakt(20). Als het hof zich zou hebben beperkt tot het onderzoeken van de vraag of aan Meister een verwijt kan worden gemaakt, zou er inderdaad sprake zijn van beoordeling aan de hand van een te beperkte maatstaf.
Ik meen intussen dat het hof in de hier bestreden rov., rov. 3.2., ook de andere grond voor toepassing van het leerstuk van de "eigen schuld" heeft onderzocht waarop Damco een beroep had gedaan. Dat blijkt uit het slot van deze rov., waar het hof o.a. vaststelt dat Damco de bank niet als een vertegenwoordigster van Meister kon aanmerken. Daarmee brengt het hof tot uitdrukking dat er onvoldoende grond bestond voor toerekening van de handelwijze van de bank aan Meister.
34) Ik neem aan dat middelonderdeel 3 sub b) ertoe strekt, dit (laatste) oordeel van het hof te bestrijden, al is de argumentatie die daartoe wordt aangevoerd erg summier.
Ik denk echter dat het hof op steekhoudende gronden heeft kunnen oordelen, zoals het hier heeft geoordeeld.
35) Men neemt aan dat een beroep op "eigen schuld" van de benadeelde ook kan worden gebaseerd op gedragingen van derden, die aan de benadeelde mogen worden toegerekend; en men neemt voorts aan dat gedragingen van derden veelal aan de benadeelde mogen worden toegerekend in situaties waarin die gedragingen, mutatis mutandis, ook aan een beroep op aansprakelijkheid van de benadeelde voor de handelwijze van de betreffende derde ten grondslag hadden kunnen worden gelegd. Verder wordt aangenomen dat er een zekere - maar beperkte - ruimte bestaat om ook in andere gevallen aan een benadeelde partij de gevolgen van handelingen van derden als "eigen schuld" toe te rekenen; maar literatuur en rechtspraak bieden niet veel houvast voor de beoordeling, wanneer van die ruimte gebruik kan worden gemaakt(21).
36) De Hoge Raad heeft in (tenminste) drie arresten ten principale geoordeeld over de vraag of gesties van een derde als " eigen schuld" aan een benadeelde mochten worden toegerekend(22). HR 17 januari 1997, NJ 1997, 230, rov. 3.3 laat zien dat bij de beoordeling van deze materie ook een marge van feitelijke appreciatie aan de orde kan zijn.
37) In het thans te beoordelen geval ontbreken, zou ik menen, de bouwstenen die grond voor toerekening van de gesties van de bank (als "eigen schuld") aan Meister zouden kunnen opleveren. Het hof heeft vastgesteld dat Damco de bank niet als vertegenwoordigster van Meister (ik neem aan: althans ten opzichte van Damco) kon aanmerken. Het middelonderdeel vermeldt weliswaar dat de bank wèl als vertegenwoordigster zou mogen gelden, maar voert geen argumenten aan die het andersluidende - en volgens mij in sterk overwegende mate feitelijke - oordeel van het hof weerleggen.
38) Verder betoogt het middel dat de bank als "hulppersoon" van Meister zou mogen gelden. Op die stelling valt in zoverre niets af te dingen, dat de kwalificatie als "hulppersoon" als zodanig in de wet niet voorkomt, en dat daaraan dan ook geen rechtsgevolgen verbonden kunnen worden. Dat Meister de bank zou hebben gebruikt in de uitvoering van tussen haar, Meister, en Damco geldende verbintenissen - zoals art. 6:76 BWPro dat aangeeft - heeft het hof klaarblijkelijk niet als aannemelijk beoordeeld. Het ligt niet zó voor de hand om daarover anders te denken, dat deze - impliciete - beoordeling door het hof daarom minder goed te begrijpen zou zijn; en ten overvloede geldt dat het middel geen argumenten bevat die het onderhavige oordeel van het hof (kunnen) weerleggen(23).
39) Met dat al blijft niet meer over dan dat ook de bank, die in de relatie tussen Damco en Meister de positie van "loutere" derde inneemt, (mogelijk) wezenlijk heeft bijgedragen aan de schade die (ook(24)) van Damco wordt gevorderd. Zoals in de vorige alinea's onderzocht, zijn er geen aanknopingspunten die een grond opleveren om de gedragingen van de bank in dit verband aan Meister toe te rekenen; er doet zich dus een situatie voor, vergelijkbaar met die, die in de in voetnoot 22 genoemde zaken uit NJ 1979, 400 en NJ 1997, 230 ter beoordeling stonden.
Voor dergelijke gevallen geldt de door de Hoge Raad in de laatstbedoelde beslissing aangewezen regel: meerdere partijen die een bepaalde schade hebben veroorzaakt, kunnen in beginsel allen voor die schade worden aangesproken, en kunnen zich er niet op beroepen dat voor de beoordeling van hun aansprakelijkheid met de aansprakelijkheid van de overige schadeveroorzakende partijen rekening moet worden gehouden. Argumenten die ertoe strekken dat de onderhavige schade "eerder" aan het handelen van de bank toe te schrijven zou zijn dan aan de aan Damco toerekenbare fout kunnen daaraan niet afdoen (gesteld al dat dergelijke argumenten in cassatie aan de orde zouden zijn); en argumenten die rechtvaardigen dat de betreffende schadeoorzaak overigens (mede) voor rekening van Meister zou (moeten) komen zijn er, als gezegd, niet.
40) In de schriftelijke toelichting namens Damco worden er toespelingen op gemaakt dat ook Meister zelf "schuld" aan het intreden van de schade zou hebben, omdat zij (ook) zelf de documenten had kunnen (en moeten) controleren, en bij gebleken ontoereikendheid daarvan had moeten weigeren, haar bankier (terug) te betalen.
Deze klacht lijkt mij om een aantal redenen niet doeltreffend. De eerste daarvan is, dat ik meen dat deze klacht niet in het middel kan worden aangetroffen. De tweede reden is, dat het hof kennelijk in rov. 3.2 heeft aangenomen dat Meister niet de keuze had, het door haar bank betaalde bedrag niet aan de bank terug te vergoeden (naar in de rede ligt: omdat de betaling door de bank ten laste van een rekening van Meister was gekomen(25)), en dus alleen de keus had, het reeds betaalde bedrag van de bank terug te vorderen. Dat Meister daarvoor - blijkbaar - niet heeft gekozen, heeft het hof vervolgens als niet aan Meister verwijtbaar beoordeeld. Aan deze - begrijpelijke - gedachtegang wordt door het middel niet getornd.
41) Dat brengt mij ertoe ook onderdeel 3 van het middel als ongegrond te beoordelen.
42) Middelonderdeel 4 lijkt uit te gaan van de premisse dat de klachten van de onderdelen 1 en/of 2 slagen. Volgens mij is dat dus niet het geval, en mist onderdeel 4 daarom eveneens doel. De schriftelijke toelichting bij dit middelonderdeel suggereert intussen dat de daarin opgenomen klacht ook voor afzonderlijke beoordeling - los van de onderdelen 1 en 2 - wordt voorgedragen. Ik bespreek de klacht volledigheidshalve ook inhoudelijk
43) Dit onderdeel klaagt erover dat aan Damco ten onrechte een beroep zou zijn onthouden op art 8:388 lid 7 BWPro. Daarin wordt bepaald dat de vervoerder niet aansprakelijk is voor schade veroorzaakt door verkeerde vermeldingen (terzake) van de in een cognossement opgenomen goederen, wanneer die berusten op opzettelijk door de afzender van die goederen gedane verkeerde opgaven.
44) Art. 8:388 BWPro beoogt de regel van art. 4, 5e lid van het Brusselse Cognossementsverdrag in de wet te incorporeren(26). Het artikel stemt inhoudelijk inderdaad overeen met de verdragsbepaling. Lid 7 van het wetsartikel komt overeen met de laatste subparagraaf van lid 5 van het verdragsartikel.
45) De in deze verdragsbepaling opgenomen aansprakelijkheidsbeperking van de vervoerder, beoogt de vervoerder te beschermen tegen kwade trouw van de afzender. De beperking geldt daarom niet ten opzichte van de vervoerder die van de onjuistheid van de door de aflader gedane opgave(n) op de hoogte was of, voeg ik toe, wanneer deze wetenschap aan de vervoerder mag worden toegerekend - aldus de uitleg die nagenoeg eenstemmig aan die bepaling wordt gegeven(27). Dat ligt ook in de rede: het moet als bepaald onbevredigend worden ervaren wanneer, hoewel de vervoerder dan wel iemand wiens handelen aan de vervoerder mag worden toegerekend wist dat de in een cognossement opgenomen vermeldingen onjuist zijn, de bona fide verkrijger van dat cognossement daarvan de dupe zou worden (althans: aangewezen zou zijn op - alleen - verhaal op de onbetrouwbaar gebleken afzender, en dus verstoken zou blijven van de voordelen van de in alinea 39 hiervóór aangehaalde regels). Zoals in alinea 12 hiervóór gesteld, aanvaardt de vervoerder met de afgifte van een cognossement een belangrijke verantwoordelijkheid. Het zou verwonderlijk zijn wanneer de vervoerder zich ondanks "kwade trouw" in de eerder in deze alinea omschreven zin, aan die verantwoordelijkheid zou kunnen onttrekken.
46) Ik meen daarom dat (ook) de Nederlandse wetsbepaling zo moet worden uitgelegd, dat daarop geen beroep kan worden gedaan door de vervoerder die wist (al dan niet door de tussenkomst van iemands handelen, dat aan hem moet worden toegerekend) dat de in het namens hem afgegeven cognossement gedane opgaven vals waren.
47) Dat brengt mij tot de uitkomst dat ook het vierde middelonderdeel niet slaagt.
Conclusie
Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
1 Daarmee wordt bedoeld dat het cognossement niet alleen aangeeft dat de vervoerder de goederen heeft ontvangen, maar ook dat die aan boord van het voor het vervoer beoogde schip zijn geladen. Voor het betalingsverkeer door middel van documentair krediet wordt meestal een "on board" cognossement verlangd (zie bijvoorbeeld Cleton, Hoofdlijnen van het Vervoerrecht, 1994, p. 136), en wordt geen genoegen genomen met een cognossement dat slechts de inontvangstneming van de goederen, maar niet de verscheping, bevestigt.
2 Daarvan blijkt uit rov. 5.3 van het vonnis van de eerste aanleg.
3 De hierna volgende beschouwingen betreffen het "verhandelbare" cognossement, dwz. het cognossement dat aan derden kan worden "overgedragen", en dat daarmee vragen van derdenbescherming aan de orde stelt. De gangbare vorm van dergelijke cognossementen is die van het ordercognossement. Die vorm is, zoals uit het dossier valt op te maken, in het thans te beoordelen geval ook gebruikt. Men kan overdraagbaarheid ook bewerkstelligen door het cognossement aan toonder te stellen. De derde in de praktijk voorkomende vorm, het cognossement op naam, zal ik in deze conclusie niet bespreken.
4 De hier genoemde functies komen (met verbijzonderingen in verband met de eigen behoeftes van de gebruikers van cognossementen) overeen met de typering van waardepapieren in het algemeen, zoals die wordt gegeven in HR 19 april 2002, NJ 2002, 456 m.nt. MMM, rov. 3.4.2.
5 In de conclusie voor HR 29 november 2002, rechtspraak.nl nr. AE 8458 wordt bij alinea's 9 t/m 17 een aanzienlijk aantal literatuurvindplaatsen over dit onderwerp vermeld.
6 Waarover overigens geen informatie - bijvoorbeeld in de vorm van de tekst van de verstrekte opdracht c.q. van de door de agente gehanteerde condities - is gepresenteerd. Het hof moest zijn oordeel dus vormen aan de hand van het feit dàt Damco in Korea een agente had aangesteld, zonder verdere bijzonderheden.
7 Of een (vuist)regel zoals hier onderzocht mag worden aangenomen, is in de loop van de Parlementaire Geschiedenis van Boek 8 opgeworpen door Japikse. De regering heeft daarop gereageerd met de stelling dat hier geen algemene regel bestond, en dat elk geval op zijn eigen merites moest worden beoordeeld (Parlementaire Geschiedenis Nieuw BW Boek 8, p. 490). In een reactie in AAe 1993, p. 410 (voetnoot 24) stelt Japikse dat het hier een van de duidelijkste voorbeelden van een aan de vertegenwoordigde toerekenbare handeling betreft, die men zich kan denken. Zie ook Smeele, "Passieve legitimatie uit cognossement", diss. 1998, p. 134 - 140.
8 Besproken door Scheltema - Meijer, Wissel- en chequerecht (Algemeen deel), 1993, p. 146 e.v.; Van Empel - Huizink, Betaling, waardepapier en documentair krediet, 2002, p. 67 - 68; Wallert, Ontwikkelingslijnen in praktijk en theorie van de wisselbrief 1300 - 2000, 1996, p. 202 - 203.
9 Dat men daarover ook totaal anders kan denken (waarbij men dan overigens wel een denktrant moet volgen die velen als "te juridisch" zullen beoordelen) blijkt bijvoorbeeld uit de - oudere - Engelse rechtspraak die men vindt bij Wilson, Carriage of goods by sea, 2001, p. 125 - 126.
10 Ik heb mij afgevraagd of er reden kan zijn om de derden-bescherming in gevallen van (onbevoegde) overdracht van een waardepapier anders te beoordelen dan de derdenbescherming als het gaat om het uitgeven van waardepapier; maar ben tot de slotsom gekomen dat er geen aanleiding is om in dit opzicht onderscheid te maken. De schriftelijke toelichting namens Damco, alinea 3.2.6 (slot), gaat stilzwijgend van dezelfde premisse uit.
11 Daarnaast kan men natuurlijk denken aan de gevallen waarin iemand als vertegenwoordiger handelt zonder ook maar enige volmacht te bezitten. In dergelijke gevallen zal men echter niet zo gauw zeggen dat de betrokkene "de grenzen zijner bevoegdheid overschreed". Er was gewoon in het geheel geen bevoegdheid. Ofschoon er (ook) in die gevallen gewoonlijk geen gebondenheid van de pseudo-principaal aanwezig zal zijn, is dat, op de keper beschouwd, dan niet het gevolg van de in art. 8:462 BWPro neergelegde regel.
12 Als belangrijkste "case" vermelden de registers HR 25 juni 1999, NJ 2000, 33 m.nt. PAS; maar in die zaak was de uitleg van art. 6:172 BWPro niet ten principale aan de orde. Zie ook - maar dan voor het recht van vóór 1992 - HR 31 januari 1997, NJ 1998, 304 m.nt. CJHB, rov. 3.3.
13 Parlementaire Geschiedenis Nieuw BW boek 6, p. 731 - 732; Onrechtmatige Daad (losbl.), Oldenhuis, art. 172, aant. 3 t/m 5; Asser - Hartkamp 4-III, 2002, nr. 155 - 157; T&C Burgerlijk Wetboek, 2001, Lankhorst, art. 172, aant. 3; Spier c.s., Verbintenissen uit de wet en schadevergoeding, 2000, nr. 94; Oldenhuis, Mon. Nw BW B 46, nrs. 70 en 71. Uit HR 21 december 2001, NJ 2002, 75, rov. 3.5 en 3.6 blijkt dat de Hoge Raad voor een restrictieve toepassing van het enigszins vergelijkbare art. 6:171 BWPro heeft gekozen (zie ook HR 14 juni 2002, NJ 2002, 102, rov. 3.4). Ook als men voor art. 6:172 BWPro een vergelijkbaar restrictieve uitleg aanvaardt (wat mij gezien de parallellen tussen de art. 6:171 enPro 6:172, en ook gezien het verband met art. 6:76, wel voor de hand lijkt te liggen) denk ik intussen dat het geval van bedrog aan de kant van de vertegenwoordiger bij het sluiten van transacties in het kader van zijn werkzaamheden als zodanig, binnen het "restrictieve" bereik van de bepaling moet vallen.
14 Ik meen, mede hierom, dat ik niet hoef in te gaan op de enigszins controversiële vraag of er naast de aansprakelijkheid ten opzichte van de regelmatige cognossementschouder wel plaats is voor een aansprakelijkheid van de vervoerder ten opzichte van een gelaedeerde ladingbelanghebbende die zelf niet houder van het cognossement voor de betreffende lading is, uit hoofde van aan de vervoerder toerekenbaar onrechtmatig handelen. Gezien beslissingen als HR 21 januari 2000, NJ 2000, 533 m.nt. Haak en HR 26 november 1993, NJ 1995, 446 m.nt. WMK lijkt mij twijfel over het antwoord op deze vraag mogelijk. Zie, voor een afwijkende visie op deze materie, ook Koot, TVR 2002, p. 122 e.v.
15 Ik zal die uitdrukking gemakshalve gebruiken, ook waar het gaat om loutere betaling -tegen-documenten, dus zonder dat er van kredietverschaffing in enge zin sprake is.
16 Zie bijvoorbeeld de Memorie van Grieven, p. 2.
17 Betrokken op de feiten van de onderhavige zaak kan men vaststellen dat als het "certificate" had kunnen worden verkregen via dezelfde omkoopbare employé van de agent van Damco die ook voor de onwaarachtig afgegeven cognossementen verantwoordelijk was, de in deze vorm beoogde nadere zekerheid niets voorstelde. Het feit dat de verkoopster/afzender er blijkbaar voor heeft gekozen om géén "certificate" van de "shipping agent" te verzorgen, maar om een zelf vervaardigd document daarvoor in de plaats aan te bieden, is echter weer geëigend om de indruk te wekken dat een "echt" certificaat niet zo gemakkelijk verkregen had kunnen worden, en dat dat extra vereiste in dit geval dus wèl een extra waarborg had kunnen betekenen.
18 Zie bijvoorbeeld de Memorie van Grieven, p. 9 e.v.
19 Dat de gangbare uitdrukking "eigen schuld" een slechte vlag is om de hier bedoelde lading te dekken - zoals in de literatuur regelmatig is opgemerkt - wordt door het hier besproken argument van het middel afdoende aangetoond.
20 Voor de maatstaven voor toerekening als "eigen schuld" verwijs ik naar Schadevergoeding (losbl.), Boonekamp, art. 101, aant. 2, 4, 5 en 6; Asser - Hartkamp 4-I, 2000, nrs. 450 - 452; Van Wassenaer - Jongeneel, Eigen schuld en mede-aansprakelijkheid, 1995, p. 25 e.v.; Spier, Mon. Nw BW B36, Schadevergoeding: algemeen, deel 3, p. 2 - 4.; Parlementaire Geschiedenis Nieuw BW boek 6, p. 351 - 352.
21 Schadevergoeding (losbl.), Boonekamp, art. 101, aant. 13, i.h.b. 13.6 en 13.14; Van Wassenaer - Jongeneel, a.w., p. 62 - 68; Spier, a.w., p. 20; Parlementaire Geschiedenis Nieuw BW boek 6, p. 351 - 352 (zie het op p. 352 gegeven voorbeeld van toerekening aan de benadeelde van de gedragingen van diens echtgenoot).
22 HR 30 september 1994, NJ 1996, 196 m.nt. CJHB, rov. 3.10.7; HR 9 februari 1979, NJ 1979, 400 m.nt. FHJM, "wat betreft het tweede onderdeel"; HR 2 februari 1962, NJ 1964, 329 m.nt. HB, overwegingen ten aanzien van het eerste middel.
23 Ik laat daarom daar of, zoals in de schriftelijke toelichting namens Meister is aangevoerd, ook in de feitelijke instanties niet nader was onderbouwd in welk opzicht de bank als "hulppersoon" van Meister zou mogen worden aangemerkt.
24 Men kan misschien vermoeden dat aansprakelijkstelling van de bank op problemen stuit in verband met een tussen Meister en de bank geldende exoneratieclausule (een probleem dat Van Wassenaer - Jongeneel, a.w. p. 65 aanstippen, met verwijzing naar verdere literatuur). Dit (mogelijke) aanknopingspunt voor toerekening aan Meister is echter niet aan de orde gesteld. Ik ga er dan ook voetstoots aan voorbij.
25 Zie het betoog van Meister op p. 9 van de Memorie van Antwoord en de als prod. 9 bij repliek in eerste aanleg overgelegde afrekening van de bank.
26 Toelichting-Meijers, p. 1302.
27 Markianos, Die Übernahme der Haager Regeln in die nationalen Gesetze über die Verfrachterhaftung, 1960, p. 114 e.v. en p. 188 e.v. Zie voor de vergelijkbare regels van nationaal (en verdrags-conform) recht bijvoorbeeld Schaps-Abraham, Das Seerecht etc, Seehandelsrecht Erster Teil, 1978, aant. 4 bij § 609; Rodière - Du Pontavice, Droit Maritime, 1991, nrs. 341 en 342; Carver's Carriage by Sea, Vol. 1, 1982, p. 79; Ponet, De Overeenkomst van Internationaal Zeevervoer onder Cognossement (rechtspraakoverzicht), 1991, p. 241 - 243.